Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(3)
  • Jurisprudentie(228)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(11)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(4)

X (bv; belanghebbende) heeft in 2016 vier uit een andere lidstaat afkomstige en voor de verhuur gebruikte kampeerauto’s doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. Ter zake daarvan heeft zij op aangifte BPM voldaan. De aangiften zijn gebaseerd op taxatierapporten.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de afschrijving bij gesloten bestelauto’s met recreatieve voorzieningen (kampeerauto’s) niet in gelijke mate verloopt als bij gesloten bestelauto’s zonder die voorzieningen en dat de in elk van de taxatierapporten vermelde handelsinkoopwaarde te laag is vastgesteld. Hij heeft daarom een naheffingsaanslag BPM opgelegd. Hij heeft de vermindering van BPM bepaald met behulp van de forfaitaire afschrijvingstabel.

In beroep heeft de Inspecteur gesteld dat er voor de kampeerauto’s koerslijsten beschikbaar zijn. Rechtbank Gelderland heeft partijen daarop in de gelegenheid gesteld om in overleg de waarden van de vier kampeerauto’s te bepalen aan de hand van de koerslijsten. Partijen hebben de Rechtbank bericht dat de vier kampeerauto’s niet voorkomen in die koerslijst. Zij hebben de Rechtbank laten weten – na onderling overleg – welke kampeerauto in die koerslijst het beste is te vergelijken met elk van de onderhavige kampeerauto’s in onbeschadigde staat (hierna: lookalikes).

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd.

Hof Arnhem-Leeuwarden acht aannemelijk dat na de eerste zitting van de Rechtbank tussen X en de Inspecteur op basis van de koerslijsten van (lookalikes van de) kampeerauto’s overeenstemming is bereikt over de in het vervolg van deze procedure te hanteren handelsinkoopwaarden van de auto’s in onbeschadigde staat en voor de auto’s 2, 3 en 4 tevens over de historische nieuwprijs van die auto’s. Het staat X niet vrij in hoger beroep eenzijdig op de tot stand gekomen overeenstemming terug te komen, nu dat in strijd komt met een goede procesorde, aldus het Hof. Wel was bij de Rechtbank, en is in hoger beroep, nog in geschil of op de overeengekomen handelsinkoopwaarden in onbeschadigde staat bedragen in mindering mogen worden gebracht wegens extra waardedaling in verband met het zijn van ex-rental van de kampeerauto’s en het ontbreken van Nederlandstalige onderhoudsboekjes.

Ten aanzien van de auto’s 2, 3 en 4 is het hoger beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag (verder) verminderd.

X klaagt in cassatie in middel 1 dat het Hof haar standpunt dat zij ook voor de kampeerauto’s 2, 3 en 4 de taxatiemethode terecht heeft gebruikt, niet heeft behandeld. Dit middel slaagt. Niet gebleken is dat X haar aanspraak op het gebruik van de taxatiemethode en/of haar grieven tegen de door de Inspecteur overgelegde koerslijst uitdrukkelijk en ondubbelzinnig had ingetrokken. De oordelen van het Hof geven dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het Hof heeft volgens de Hoge Raad op goede gronden geoordeeld dat de stelplicht en de bewijslast rusten op de belanghebbende, die zich op de vermindering van de BPM beroept. Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt niet.

Middel 3 slaag wel. De systematiek van artikel 10, lid 1 en 2, Wet BPM houdt in dat de catalogusprijs een van de twee dragende elementen is om de hoogte van de afschrijving te bepalen. Middel 3 betoogt terecht dat het niet mogelijk is die catalogusprijs te bepalen door deze af te leiden uit een getaxeerde handelsinkoopwaarde en een vooraf veronderstelde afschrijving, uitgedrukt in procenten.

Middel 4 is onder meer gericht tegen het oordeel van het Hof over de uitleg en de toepassing van het begrip ‘voertuig met meer dan normale gebruiksschade’ in artikel 10, lid 8, onderdeel a, Wet BPM. Het middel faalt in zoverre. Het enkele gegeven dat een gebruikt motorvoertuig verhuurd is geweest aan telkens wisselende derden (rental), rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat het meer dan normale gebruiksschade in vorenbedoelde zin vertoont. Het ontbreken van een Nederlandstalig onderhoudspakket bij een motorvoertuig is in elk geval niet aan te merken als aan dat motorvoertuig toegebrachte schade.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Den Bosch en geeft aan waar het verwijzingshof wat betref uitleg en toepassing van artikel 10, lid 8, Wet BPM rekening mee moet houden.

Rubriek(en)
Autobelastingen
Belastingtijdvak
2016
Instantie
HR
Datum instantie
20 mei 2022
Rolnummer
19/04563
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:640
Auteur(s)
Sacha Bothof
123BPM.NL
NLF-nummer
NLF 2022/1045
Aflevering
2 juni 2022
Judoreg
NFB5043
bwbr0005806&artikel=10,bwbr0005806&artikel=10,bwbr0005806&artikel=9,bwbr0005806&artikel=9

X