Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(22)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(5)
  • Recent(1)

Verwijzingszaak Hoge Raad, 16 april 2021, 20/00081, ECLI:NL:HR:2021:585 (NLF 2021/0885, met noot van Van Gijlswijk).

X (bv; belanghebbende) is een internationaal concern dat opslagruimte verhuurt (self storage). Zij heeft op 30 juni 2015 alle aandelen verworven in (holding) B. B staan 23 vestigingen ten dienste waar met name aan particulieren tegen betaling opslagmogelijkheden wordt geboden. B levert naast verhuur van opslagruimte ook bijkomende diensten, zoals de verhuur van aanhangwagens. Daarnaast bestaat B’s bedrijfsvoering uit onder meer intensief management en actieve marketing.

In deze procedure draait het in de eerste plaats om de vraag of de verkrijging door X van de aandelen in B op basis van artikel 4, lid 1, onderdeel a, Wet BRV is belast met overdrachtsbelasting. In het bijzonder is de vraag aan de orde of aan de doeleis van artikel 4, lid 1, onderdeel a, Wet BRV is voldaan.

De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Amsterdam om dit nader te onderzoeken.

In een geval als het onderhavige, waarin X de onroerende zaken gebruikt als bedrijfsmiddel voor de uitoefening van haar bedrijf, is niet aan de doeleis voldaan als de terbeschikkingstelling van (delen van) de onroerende zaken ondergeschikt is in het geheel van prestaties dat aan afnemers wordt verricht. Dit moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de klanten van de overgenomen rechtspersoon B.

Volgens het verwijzingshof is aannemelijk dat de dienstverlening van B vanuit het gezichtspunt van haar klanten hoofdzakelijk bestond uit het (door verhuur) exploiteren van onroerende zaken en dat haar overige prestaties aan die verhuur ondergeschikt waren. Aan de doeleis is voldaan.

Dan is in geschil of de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Volgens het verwijzingshof hebben beide partijen de voorgestane waarde niet aannemelijk gemaakt. Het stelt de heffingsgrondslag in goede justitie vast op € 95.000.000. Uitgaande van deze waarde is eveneens voldaan aan de bezitseis van artikel 4, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet BRV.

Rubriek(en)
Belastingen van rechtsverkeer
Belastingtijdvak
2015
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
12 april 2022
Rolnummer
21/00304
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:1377
NLF-nummer
NLF 2022/0981
Aflevering
19 mei 2022
bwbr0002740&artikel=4,bwbr0002740&artikel=4,bwbr0002740&artikel=4&lid=1,bwbr0002740&artikel=4&lid=1

X