Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(1)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(2)
  • Recent(1)
  • Soft Law(1)

Het onderhavige verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen U.I. (Srl), een in Milaan (Italië) gevestigde onderneming, en het douanekantoor van Venetië, over de betaling door U.I. als indirecte douanevertegenwoordiger, naast de douanerechten op invoertransacties, van de btw bij invoer.

Het HvJ antwoordt op de prejudiciële vragen dat artikel 77, lid 3, DWU aldus moet worden uitgelegd dat, louter op grond van die bepaling, de indirecte douanevertegenwoordiger enkel aansprakelijk is voor de douanerechten die verschuldigd zijn op de goederen die hij bij de Douane heeft aangegeven en niet ook voor de btw bij invoer op diezelfde goederen.

Artikel 201 Btw-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de indirecte douanevertegenwoordiger niet samen met de importeur hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de btw bij invoer, wanneer er geen nationale bepalingen zijn die hem uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aanwijzen of erkennen als degene die tot voldoening van die belasting gehouden is.

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Douane
Belastingtijdvak
2017-2018
Instantie
HvJ
Datum instantie
12 mei 2022
Rolnummer
C‑714/20
ECLI
ECLI:EU:C:2022:374
Auteur(s)
Gooike van Slooten
Deloitte
NLF-nummer
NLF 2022/0998
Aflevering
26 mei 2022
Judoreg
NFB5026
celex32006l0112&artikel=201,celex32006l0112&artikel=201

X