Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(24)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(6)
  • Recent(4)

X (nv, belanghebbende) heeft voor de toepassing van de werkkostenregeling de door haar in 2012 en 2013 aan haar groepsraadleden toegekende bonusaandelen aangemerkt als eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, lid 1, aanhef en letter f, Wet LB 1964 (tekst 2012 en 2013). Na verwijzing (HR 12 juli 2019, 18/00926, ECLI:NL:HR:2019:1050) was nog in geschil of is voldaan aan de in deze bepaling opgenomen gebruikelijkheidstoets.


Om aan de op hem met betrekking tot de gebruikelijkheidtoets rustende bewijslast te voldoen heeft de Inspecteur met toepassing van artikel 53 AWR een vragenbrief gezonden aan 88 ondernemingen die in dezelfde branche werkzaam zijn als X en de aan haar gelieerde ondernemingen, met de vraag of er binnen het bedrijf of concern in de periode 2012 tot en met 2015 bonussen in geld of in natura (waaronder begrepen aandelen) aan werknemers zijn verstrekt. Op die brief hebben 81 ondernemingen inhoudelijk gereageerd; 33 daarvan hebben ingevuld aan werknemers geen, en 48 ondernemingen hebben ingevuld aan werknemers wel bonussen toe te hebben gekend. In het geval bonussen zijn toegekend variëren zij van € 500 tot € 1.250.


Verwijzingshof Den Haag heeft geoordeeld dat de Inspecteur met het produceren van dit overzicht heeft voldaan aan zijn bewijslast ten aanzien van de gebruikelijkheidstoets.


Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld met de stelling dat de Inspecteur met de vragenbrief oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van zijn uit artikel 53 AWR voortvloeiende bevoegdheid. Dat oneigenlijk gebruik is er volgens X in gelegen dat de Inspecteur ook informatie heeft gevraagd aan administratieplichtigen met wie zij geen zakelijke relatie onderhoudt en administratieplichtigen heeft verplicht, door ook te vragen naar de verstrekking van bonussen binnen hun concern, informatie te verstrekken die zich niet in de eigen administratie bevindt.


De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep echter ongegrond.


Om dit betoog te kunnen doen slagen had X voor het Hof feiten moeten stellen die de conclusie kunnen dragen dat de Inspecteur de informatie heeft verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding blijkt echter niet dat X dergelijke feiten heeft gesteld of heeft aangevoerd dat zich een dergelijke gang van zaken heeft voorgedaan.


Conform conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2021:631.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2012-2013
Instantie
Hoge Raad
Datum instantie
12 november 2021
Rolnummer
20/03229
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1595
bwbr0002320&artikel=53,bwbr0002471&artikel=31&lid=1

X