Direct naar content gaan

Gerelateerde content

  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(24)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(1)

Samenvatting

Erflater dreef sinds 1975 een winkel in kantoorbenodigdheden. In de jaren 1975 en 1976 heeft hij twee onroerende zaken verworven, die beide een begane grond (de nrs. 24 en 24-1) en bovenverdiepingen (de nrs. 24a en 24-1a) omvatten. De onroerende zaken zijn splitsbaar, maar juridisch niet gesplitst. Vanaf het moment van aankoop zijn de op de begane grond gesitueerde delen van beide onroerende zaken in gebruik genomen ten behoeve van de onderneming. De bovenverdiepingen zijn nooit gebruikt voor de uitoefening van de onderneming, maar vanaf het moment van aankoop steeds als woonruimte verhuurd aan derden (onder meer aan studenten). De onroerende zaken heeft erflater geheel tot zijn ondernemingsvermogen gerekend. In zijn aangifte voor het jaar 2006 heeft hij de bovenverdiepingen niet langer als ondernemingsvermogen aangemerkt, maar - in plaats daarvan - gerekend tot de rendementsgrondslag van Box III, omdat volgens hem de bovenverdiepingen als verplicht privévermogen moeten worden aangemerkt. Bij het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur de bovenverdiepingen tot het ondernemingsvermogen gerekend.
Voor het Hof was in geschil of met betrekking tot de bovenverdiepingen vanaf het moment van aankoop sprake was van verplicht privévermogen. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het overwogen dat uit het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2010, nr. 09/00332, volgt dat voor een kwalificatie als verplicht privévermogen onder meer de eis geldt, dat vast dient te staan dat het vermogensbestanddeel door de belastingplichtige uitsluitend ter voorziening in zijn woonbehoefte zal worden gebruikt, en dat daarvan in casu geen sprake is. Het Hof heeft voorts redengevend geacht dat verhuur aan derden een vorm van rendabel maken van de bovenverdiepingen is waarvan de opbrengsten aan de onderneming ten goede kunnen komen, hetgeen in het onderhavige geval daadwerkelijk is gebeurd. De bovenverdiepingen zijn aldus het Hof derhalve dienstbaar geweest aan de onderneming van erflater.
Volgens de erfgenamen heeft het Hof een te beperkte uitleg gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2010 en heeft het Hof de uitspraak onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de erfgenamen ongegrond. De uitspraak van het Hof is juist en ook voldoende gemotiveerd. Anders A-G Niessen.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2006
Instantie
HR
Datum instantie
29 juni 2012
Rolnummer
11/03295
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BV8954
bwbid=bwbr0&artikel=3.151,bwbid=bwbr0&artikel=5.1

Naar de bovenkant van de pagina