Direct naar content gaan

Samenvatting

Verwijzingsuitspraak naar aanleiding van HR 10 september 2021, 19/01869, ECLI:NL:HR:2021:1230, NLF 2021/1850, met noot van Wolf.

De gemeente Strijen (X; belanghebbende) heeft als onderdeel van een meeromvattend bouwproject een gebouw doen oprichten voor de huisvesting van een zogenoemde brede school, bestaande uit twee basisscholen, een peuterspeelzaal en een kinderdagverblijf. De totale stichtingskosten van het op 19 februari 2009 opgeleverde gebouw bedroegen € 5.274.440 inclusief omzetbelasting.

Op 19 februari 2009, de dag waarop de aannemer het gebouw heeft opgeleverd, heeft X bij notariële akte het gebouw voor € 550.000 (exclusief omzetbelasting) in eigendom overgedragen aan een woningcorporatie.

Hof Den Haag (5 maart 2019, 17/00951, ECLI:NL:GHDHA:2019:1752, NLF 2019/1570) heeft geoordeeld dat de vergoeding ter zake van de levering van het gebouw niet de werkelijke tegenwaarde van het schoolgebouw vertegenwoordigt. De hoogte van de vergoeding is bepaald op basis van een andere factor, te weten belastingbesparing, waardoor wordt afgedaan aan het rechtstreekse verband tussen de levering en de tegenprestatie. Dit betekent dat de levering van het schoolgebouw niet is verricht onder bezwarende titel in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel a, Wet OB 1968. Er bestaat daarom geen recht op aftrek op de voet van artikel 15 Wet OB 1968, aldus het Hof.

Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond. Het oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het objectieve criterium van een rechtstreeks verband tussen de levering van een goed en de ontvangen tegenprestatie, is niet relevant welk oogmerk de verkoper en de koper met die levering en de hoogte van het daarvoor bedongen bedrag hebben. De omstandigheid dat de hoogte van de vergoeding (mede) is bepaald door een belastingvoordeel dat is beoogd met de structurering van activiteiten, is derhalve geen factor die afdoet aan het rechtstreekse verband.

De zaak is daarop verwezen naar Hof Amsterdam.

Dit verwijzingshof oordeelt thans, na aanvulling van de feiten, dat X in wezen geen vergoeding heeft ontvangen voor de levering van de school en dat deze daarom niet heeft plaatsgevonden onder bezwarende titel. Om deze reden is er geen sprake van een economische activiteit in de zin van artikel 2, lid 1, onderdeel a; artikel 9, lid 1, en artikel 14, lid 1, Btw-richtlijn en van een belastbare handeling in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel a, en artikel 3, lid 1, onderdeel a, Wet OB 1968. X kan derhalve geen aanspraak maken op aftrek van de in geding zijnde voorbelasting.

Metadata

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
1 januari 2016 t/m 31 maart 2016
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
23 juni 2022
Rolnummer
21/01643
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:2567
Auteur(s)
Werner Gelderblom
PwC
NLF-nummer
NLF 2022/1717
Aflevering
8 september 2022
Judoreg
NFB5204
bwbr0002629&artikel=1,bwbr0002629&artikel=1,bwbr0002629&artikel=3,bwbr0002629&artikel=3,bwbr0002629&artikel=15,bwbr0002629&artikel=15,celex32006l0112&artikel=14,celex32006l0112&artikel=14,celex32006l0112&artikel=2,celex32006l0112&artikel=2,celex32006l0112&artikel=9,celex32006l0112&artikel=9

Naar de bovenkant van de pagina