Direct naar content gaan

Samenvatting

X (belanghebbende) heeft bezwaar gemaakt tegen een aan hem opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een boetebeschikking.

Bij brief van 19 april 2016 heeft de Inspecteur X in de gelegenheid gesteld om hem voor 16 mei 2016 te laten weten of zij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord. X heeft schriftelijk op die brief gereageerd. In deze reactie staat onder meer vermeld:

‘Aangezien op dit moment niet alle onderliggende informatie bekend is wil belanghebbende zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden om, na ontvangst van de opgevraagde onderliggende stukken, op een later moment dit bezwaarschrift met nadere gronden te mogen aanvullen en/of voorzover noodzakelijk gehoord te worden.’

Bij brief van 19 mei 2016 heeft de Inspecteur X nogmaals in de gelegenheid gesteld om hem, ditmaal voor 10 juni 2016, te laten weten of zij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord. X heeft niet op dit verzoek gereageerd. De Inspecteur heeft vervolgens bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Voor Hof Amsterdam was onder meer in geschil of de Inspecteur de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb heeft geschonden. Volgens het Hof is dat niet het geval. Met hetgeen X in het bezwaarschrift heeft geschreven heeft zij niet een expliciet verzoek gedaan om te worden gehoord. Het Hof heeft verder geoordeeld dat de Inspecteur X voldoende gelegenheid heeft gegeven om te worden gehoord.

Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond.

In dit geval heeft X op de vraag van de Inspecteur of zij wilde worden gehoord tijdig het hiervoor geciteerde antwoord gegeven. Uit dat antwoord blijkt dat zij gebruik wilde maken van het in artikel 7:4, lid 2, Awb opgenomen recht om voorafgaand aan het eventuele horen de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. Door de manier waarop in artikel 7:4 Awb het recht op inzage is gekoppeld aan het horen, moet de mededeling van X dat zij kennis wilde nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, worden opgevat als de in artikel 7:3, onderdeel d, Awb en in artikel 9, onder 2, Bfb bedoelde verklaring dat zij gebruik wilde maken van haar recht om te worden gehoord.

Het Hof heeft dit miskend, aldus de Hoge Raad.

In het belastingrecht wordt – anders dan in het algemene bestuursrecht – gehoord op verzoek, zo volgt uit artikel 25, lid 1, AWR. In artikel 9 Bfb is het initiatief echter toch weer bij de Inspecteur gelegd. Het is dus aan de Inspecteur om de belanghebbende uit te nodigen voor een hoorgesprek. Als de belanghebbende niet binnen een door de Inspecteur gestelde, redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om gehoord te worden, kan de Inspecteur afzien van het horen, zo volgt uit artikel 7:3, onderdeel d, Awb.

In de onderhavige zaak had de Inspecteur belanghebbende twee keer in de gelegenheid gesteld om hem voor een bepaalde datum te laten weten of zij gebruik wilde maken van het recht om te worden gehoord. Op het eerste verzoek had belanghebbende de Inspecteur (binnen de daarvoor gestelde termijn) – kort gezegd – laten weten zich uitdrukkelijk het recht voor te behouden om, na ontvangst van de opgevraagde onderliggende stukken, voor zover noodzakelijk gehoord te worden. Op het tweede verzoek had belanghebbende niet gereageerd. De Inspecteur deed uitspraak op bezwaar zonder belanghebbende te hebben gehoord. De Inspecteur en het Hof waren van oordeel dat de hoorplicht niet was geschonden. De Hoge Raad oordeelt anders en baseert dit oordeel op het feit dat uit de reactie op het eerste verzoek van de Inspecteur volgt dat belanghebbende gebruik wilde maken van het recht om voorafgaand aan het eventuele horen de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. Omdat het recht op inzage in artikel 7:4 Awb is gekoppeld aan het horen, moet de mededeling van belanghebbende dat zij kennis wilde nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken worden opgevat als een verklaring dat zij gebruik wilde maken van haar recht om te worden gehoord. De woorden ‘en/of voorzover noodzakelijk’ doen daar niet aan af, aldus de Hoge Raad.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
6 februari 2015 t/m 5 februari 2016
Instantie
HR
Datum instantie
5 juni 2020
Rolnummer
18/04533
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1011
Auteur(s)
Nicoline Bergman
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn
NLF-nummer
NLF 2020/1381
Aflevering
18 juni 2020
Judoreg
NFB3508
bwbr0002320&artikel=25,bwbr0005537&artikel=6:22,bwbr0005537&artikel=7:2,bwbr0005537&artikel=7:3

Naar de bovenkant van de pagina