Direct naar content gaan

Samenvatting

Twee kinderen van X (belanghebbende) en zijn ex-partner stonden in 2016 in de BRP ingeschreven op het adres van de ex-partner. De kinderen verbleven in 2016 afwisselend bij X en zijn ex-partner.

In geschil is of X in 2016 in aanmerking komt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack).

Dat is volgens Hof Arnhem-Leeuwarden het geval.

Uit een overzicht blijkt dat in het jaar 2016 gedurende in ieder geval 27 weken (en dus meer dan zes maanden) wordt voldaan aan de voorwaarde dat de kinderen drie gehele dagen, drie en een halve dag of vier gehele dagen bij X verbleven en voor het overige bij de ex-partner. Ook in artikel 44b Uitv.reg. IB 2001 is een beoordeling per week tot uitgangspunt genomen. Opeenvolgende perioden zijn niet vereist. Daarmee voldoet de situatie van X aan het vereiste dat de kinderen in 2016 gedurende ten minste zes maanden tot het huishouden van beide ouders hebben behoord. Toepassing van het ‘doorgaans’-criterium (HR 2 november 2001, 36.588, ECLI:NL:HR:2001:AD5044) kan daarom verder achterwege blijven, aldus het Hof.

De staatssecretaris betoogt in cassatie dat het Hof heeft miskend dat artikel 44b Uitv.reg. IB 2001 (tekst 2016) aldus moet worden toegepast dat in het hele kalenderjaar voldaan moet zijn aan het vereiste van doorgaans ten minste drie dagen verblijf bij de ouder op wiens adres het kind niet is ingeschreven.

De Hoge Raad verwerpt het betoog.

Voor een alleenstaande ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven in de BRP is, om in aanmerking te komen voor de iack, niet nodig dat het kind gedurende het hele kalenderjaar doorgaans ten minste drie gehele dagen per week bij hem heeft verbleven. Uit artikel 8.14a, lid 1, slotzin, Wet IB 2001 volgt dat voldoende is dat dit ‘doorgaans verblijf’ gedurende ten minste de helft van het jaar plaatsvond, waarbij het niet om een aaneengesloten periode behoeft te gaan. Dit is in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2020 (19/02042, ECLI:NL:HR:2020:415).

Dat artikel 44b Uitv.reg. IB 2001 per 1 januari 2021 is gewijzigd, doet hieraan niet af. Met een wijziging van de tekst van een ministeriële regeling, kan een door de wetgever in formele zin gedelegeerde regelgevende bevoegdheid immers niet worden verruimd.

Het cassatieberoep is ongegrond.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2016
Instantie
HR
Datum instantie
30 september 2022
Rolnummer
22/00188
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1345
Auteur(s)
Edwin Thomas
Tilburg University/Zelfstandig belastingadviseur
NLF-nummer
NLF 2022/1966
Aflevering
13 oktober 2022
Judoreg
NFB5257
bwbr0011353&artikel=8.14a,bwbr0011353&artikel=8.14a&lid=1,bwbr0012031&artikel=44a,bwbr0011353&artikel=8.14a,bwbr0012031&artikel=44a

Naar de bovenkant van de pagina