Direct naar content gaan

Samenvatting

X (bv; belanghebbende) heeft in 1993 een pensioenverplichting overgedragen aan een met haar gevoegde dochtermaatschappij. In 1995 is deze pensioenverplichting aan X terug overgedragen. In de lineair gewaardeerde pensioenverplichting ligt een meerwaarde besloten. In 1996 heeft X de aandelen in de dochtermaatschappij overdragen aan een derde; de fiscale eenheid is derhalve per 1 januari 1996 verbroken.

Het Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de overdrachten van de pensioenverplichting niet hebben geleid tot een overdracht van stille reserves en dat zulks inhoudt dat de overdrachten geen besmette transactie zijn als bedoeld met de zestiende standaardvoorwaarde.

De Hoge Raad volgt het Hof en motiveert uitgebreid. Transacties tussen in een fiscale eenheid gevoegde lichamen kunnen slechts dan tot toepassing van de zestiende standaardvoorwaarde leiden indien zij tot doel of tot gevolg hebben dat door het gebruik van de regeling van de fiscale eenheid en/of de beenbeëindiging daarvan fiscaal voordeel wordt teweeggebracht. Bij de beoordeling daarvan moet - gelet op artikel 3:4, lid 2, Awb - worden bezien of het vermogen van de dochtermaatschappij uiteindelijk is gewijzigd. Met dit pakket aan rechtsregels oordeelt de Hoge Raad dat het onderhavige geval dat de overdrachten geen besmette transacties vormen in de zin van de zestiende standaardvoorwaarde.

Metadata

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
1995
Instantie
HR
Datum instantie
7 november 2003
Rolnummer
38.061
ECLI
ECLI:NL:HR:2003:AI0417
bwbr0002672&artikel=15ai,bwbr0002672&artikel=15ai&lid=1,bwbr0002672&artikel=15ai&lid=3

Naar de bovenkant van de pagina