Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(16)
  • Commentaar NLFiscaal(3)
  • Literatuur(6)
  • Recent

Dga X (belanghebbende) en A (bv) vallen vanaf 1 september 2011 onder het convenant van de toenmalige gemachtigde met de Inspecteur. De aangifte IB/PVV 2010 van X is door de Inspecteur behandeld als een aangifte afkomstig van een convenantklant en conform de ingediende aangifte vastgesteld. In de aangifte was de schuld van X aan A niet opgenomen. Bij het afwikkelen van de aangifte vpb van A is de Inspecteur bekend geworden met de aanzienlijke schuldpositie van X aan A. Dit heeft geleid tot een aan X opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2010, waarbij de rekening-courantschuld en lening als winstuitdeling van in totaal € 803.414 zijn aangemerkt. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van 50% (€ 100.000) aan X opgelegd.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd en dat de Inspecteur over een nieuw feit beschikt om na te vorderen. Het Hof heeft het betoog van X verworpen dat de aanwezigheid van een in het kader van Horizontaal toezicht gesloten convenant leidt tot het in rechte te honoreren vertrouwen dat de aangifte zonder correctie gevolgd zal worden. Volgens het Hof is in 2010 sprake van een vermogensverschuiving van A naar X ter grootte van de gehele schuld. De Inspecteur heeft terecht en tot het juiste bedrag een uitdeling bij X in het inkomen begrepen.

Ten aanzien van de boete is het hoger beroep volgens het Hof gegrond. Het Hof acht een bij grove schuld behorende boete van 25%, ofwel € 50.000, passend en geboden. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft het Hof de boete verminderd tot € 47.500.

X heeft cassatieberoep ingesteld.

Volgens A-G Niessen is het cassatieberoep ten aanzien van de navorderingsaanslag ongegrond. De A-G concludeert dat bij Horizontaal toezicht de Inspecteur blijft beschikken over de wettelijke navorderingsbevoegdheid en dat een uitdeling plaatsvindt als het vaststaat of zo goed als zeker is dat aflossing zal uitblijven uitsluitend als gevolg van handelen van de vennootschap ten gunste van de ab-houder als zodanig.

Het cassatieberoep is wel gegrond voor zover het betrekking heeft op de boetebeschikking. De zaak moet volgens de A-G worden verwezen voor onderzoek naar de vraag of te weinig belasting is geheven als gevolg van grove schuld van X.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2010
Instantie
A-G
Datum instantie
24 maart 2021
Rolnummer
20/01589
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:288
Auteur(s)
Joost Vetter
Geradts & Vetter Advocaten
NLF-nummer
NLF 2021/0887
Aflevering
29 april 2021
Judoreg
NFB4293
bwbr0011353&artikel=4.13

X