Direct naar content gaan

Samenvatting

Tot de nalatenschap van een erflater behoort onder andere één derde deel van de aandelen in een vennootschap (hierna: Y). Zijn twee zonen hebben hiervan bij de verdeling van de nalatenschap ieder de helft verkregen. In Y worden onroerende zaken geëxploiteerd en vinden ontwikkelingsactiviteiten plaats. Erflater heeft werkzaamheden verricht voor Y en ook de zonen verrichten werkzaamheden voor Y.

Voor Hof Den Haag was in geschil of de beide zonen voor de verkrijging van de aandelen in aanmerking komen voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van artikel 35b SW 1956. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de vennootschap, waarin de aandelen zijn verkregen, een onderneming drijft als bedoeld in artikel 35c SW 1956.

Het Hof heeft vooropgesteld dat voor bevestigende beantwoording van die vraag de activiteiten van Y moeten kunnen worden aangemerkt als een onderneming in materiële zin, waarvan sprake is bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijke productieproces met het oogmerk om winst te behalen. Bij exploitatie van onroerende zaken geldt in dat verband dat de in dit kader te verrichten of verrichte arbeid naar aard en omvang meer moet hebben omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, met als doel het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat, aldus het Hof. Het Hof heeft beslist dat in dit geval geen onderneming in materiële zin wordt gedreven.

Tegen dit oordeel hebben de beide zonen cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof is uitgegaan van een juiste vooropstelling omtrent het begrip onderneming in de zin van artikel 35c SW 1956. Voorts stelt de Hoge Raad vast dat het Hof heeft geoordeeld dat ook de ontwikkelingsactiviteiten van de vennootschap niet kunnen worden aangemerkt als onderneming in de zin van artikel 35c SW 1956. Het Hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de omvang van de ontwikkelingsactiviteiten ten opzichte van de overige activiteiten van de vennootschap, te weten de verhuur van onroerende zaken, te beperkt is om hieraan betekenis toe te kennen in die zin dat op basis van projectontwikkeling kan worden geoordeeld dat de vennootschap (ten dele) een onderneming drijft in de zin van artikel 35c SW 1956. Beslissend is echter of de ontwikkelingsactiviteiten op zichzelf bezien, kunnen worden aangemerkt als een onderneming in materiële zin. Daarom is het Hof er ten onrechte van uitgegaan dat de relatieve omvang van de ontwikkelingsactiviteiten in verhouding tot de beleggingsactiviteiten beslissend is voor de beantwoording van de vraag of de vennootschap met de ontwikkelingsactiviteiten een onderneming in materiële zin drijft, oordeelt de Hoge Raad.

De zaak is verwezen naar Hof Amsterdam.

Beleggen of ondernemen: beoordeling per activiteit

Het Hof oordeelt dat de projectontwikkelingsactiviteiten van de vennootschap geen ondernemingsactiviteit zijn, omdat de relatieve omvang ten opzichte van de verhuuractiviteiten te beperkt is. Deze opvatting vindt geen steun in de rechtspraak. Of de vennootschap een materiële  onderneming drijft, moet voor de ontwikkelingsactiviteiten geïsoleerd worden beoordeeld. De absolute dan wel relatieve omvang ten opzichte van de beleggingsactiviteiten speelt daarbij geen rol. De Hoge Raad kon de uitspraak van het Hof dan ook niet in stand laten. Het verwijzingshof moet nu onderzoeken of de projectontwikkelingsactiviteiten als een materiële onderneming kwalificeren.

Vermogensetikettering

Metadata

Rubriek(en)
Schenk- en erfbelasting
Belastingtijdvak
2011
Instantie
HR
Datum instantie
10 maart 2017
Rolnummer
16/04190
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:396
Auteur(s)
Almer de Beer
Grant Thornton
NLF-nummer
NLF 2017/0661
Aflevering
30 maart 2017
Judoreg
NFB381
bwbr0002226&artikel=35b,bwbr0002226&artikel=35b,bwbr0002226&artikel=35c,bwbr0002226&artikel=35c,bwbr0011353&artikel=3.2,bwbr0011353&artikel=4.17a&lid=1

Naar de bovenkant van de pagina