Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(3)
  • Jurisprudentie(169)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(7)

Aan de Beverwijkse Bazaar (X, bv; belanghebbende) is voor het jaar 2016 een aanslag vermakelijkhedenretributie opgelegd van € 217.160,06. X beschikt over een grotendeels overdekte warenmarkt, die wordt bezocht door mensen die willen winkelen en eten. Zij verhuurt winkel- en horecaruimten in het hallencomplex aan derden en voert beheerstaken uit die verband houden met de exploitatie van het vastgoed voor de verhuur.

Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat de aanslag terecht is opgelegd.

X heeft tegen dit oordeel hoger beroep ingesteld. Zij betoogt dat de door haar uitgeoefende activiteiten niet kwalificeren als ‘het geven van vermakelijkheden’ in de zin van artikel 229, lid 1, onderdeel c, Gemw en artikel 1 van de betreffende verordening.

Hof Amsterdam heeft X in het gelijk gesteld.

Het Hof heeft geoordeeld dat het enkel bieden van gelegenheid om te winkelen en voedsel te nuttigen op zichzelf niet kwalificeert als ‘het geven van vermakelijkheden’ en dat de Heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat X in 2016 daarnaast zodanige activiteiten organiseerde dat op grond daarvan X wel als vermakelijkheid gekwalificeerd zou kunnen worden. Dit is niet anders indien ook de door haar huurders georganiseerde activiteiten, zoals het ponyrijden, het trampolinespringen en de kermisattracties (een grote en een kleine draaimolen) aan X worden toegerekend. Deze met name op het vermaak van kinderen gerichte activiteiten zijn, gerelateerd aan de totale omvang van X en het aantal van – naar X stelt – 1.196.000 bezoekers, dusdanig beperkt in omvang dat zij X als geheel niet als een vermakelijkheid doen kwalificeren. Daarbij heeft het Hof ook belang gehecht aan de omstandigheid dat de op vermaak gerichte activiteiten slechts op een relatief zeer beperkte oppervlakte van het terrein plaatsvinden. De door X aangeboden activiteiten zijn niet breder dan het enkel verhogen van de belevingswaarde van het winkelen, aldus het Hof.

Tegen dit oordeel heeft het dagelijks bestuur van Cocensus te Hoofddorp cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart dit ongegrond.

Het oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van het begrip vermakelijkheid in artikel 229, lid 1, onderdeel c, Gemw. Dat oordeel is voor het overige verweven met de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Conform Conclusie A-G IJzerman (NLF 2021/2165, met noot van Van der Muur).

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
2016
Instantie
HR
Datum instantie
24 december 2021
Rolnummer
20/03886
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1846
NLF-nummer
NLF 2022/0017
Aflevering
6 januari 2022
Judoreg
NFB4738
bwbr0005416&artikel=229

X