Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving(1)
  • Besluiten(10)
  • Jurisprudentie(116)
  • Commentaar NLFiscaal(12)
  • Literatuur(5)
  • Recent(12)

Ter financiering van haar eigen woning is X (belanghebbende) in 2014 een hypothecaire geldlening aangegaan bij de bank en een aanvullende geldlening bij haar vader. In de aangifte IB/PVV 2016 heeft zij de bij de bank aangegane hypothecaire lening vermeld als eigenwoningschuld en de aan de bank betaalde hypotheekrente in aftrek gebracht. De aanslag is met dagtekening 17 mei 2017 overeenkomstig de aangifte opgelegd. Op 12 april 2018 heeft X een ‘herziene aangifte’ ingediend. Daarin heeft zij (alsnog) aanspraak gemaakt op aftrek van € 2.740 rente betreffende de lening bij haar vader. In dit verzoek heeft X de in artikel 17b, lid 1, Uitv.reg. IB 2001 genoemde informatie aan de Inspecteur verstrekt.


De Inspecteur heeft de herziene aangifte aangemerkt als bezwaarschrift en als een verzoek tot ambtshalve vermindering van die aanslag. Het bezwaar is wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek tot ambtshalve vermindering is afgewezen.


Bij Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil of X voor het jaar 2016 recht heeft op aftrek van het bedrag van € 2.740 als rente van de eigenwoningschuld. Dat is volgens het Hof niet het geval. Het tijdig voldoen aan de verplichting om de in artikel 3.119g Wet IB 2001 bedoelde gegevens te verstrekken is een voorwaarde om de uit de lening voortvloeiende schuld als eigenwoningschuld aan te merken. Aangezien X niet tijdig aan die verplichting heeft voldaan, vormt de door haar vader verstrekte geldlening voor het jaar 2016 geen eigenwoningschuld. De op die lening betaalde rente is dus in dat jaar niet aftrekbaar, en het verzoek tot ambtshalve vermindering van de voor dat jaar opgelegde aanslag IB/PVV is terecht afgewezen, aldus het Hof.


X heeft cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart dat ongegrond. Met ingang van het jaar 2016 brengt artikel 3.119g Wet IB 2001 mee dat het in de aangifte vermelden van de in deze bepaling bedoelde gegevens voorwaarde is om de desbetreffende lening tot de eigenwoningschuld te rekenen. Nu X die gegevens niet in de aangifte IB/PVV 2016 heeft vermeld, kan de door haar vader verstrekte lening in dat jaar niet tot de eigenwoningschuld worden gerekend. De hiervoor genoemde oordelen van het Hof zijn juist.


Anders Conclusie A-G Niessen (NLF 2021/1649, met noot van Bergman).

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2016
Instantie
HR
Datum instantie
19 november 2021
Rolnummer
20/03558
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1719
Auteur(s)
Jelle van den Berg
Duoberg Consultants
bwbr0011353&artikel=3.111,bwbr0011353&artikel=3.119g,bwbr0012031&artikel=17b

X