Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(16)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(1)

Aan X (belanghebbende) is één aanslagbiljet uitgereikt met daarop onder meer de WOZ-beschikking en de aanslag watersysteemheffing voor het jaar 2018. De Heffingsambtenaar heeft in één geschrift uitspraken gedaan op de hiertegen gemaakte bezwaren.

Bij Hof Den Bosch was onder meer in geschil of artikel 131 Waterschapswet (Wschw) meebrengt dat de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing prematuur is gedaan en om die reden vernietigd moet worden.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Heffingsambtenaar bij het doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing niet in strijd met artikel 131 Wschw heeft gehandeld. Het artikel strekt ertoe te voorkomen dat afzonderlijke procedures worden gevoerd bij de belastingrechter over feiten en omstandigheden die van belang zijn voor zowel de heffing van de watersysteemheffing als voor de vaststelling van de WOZ-waarde. Deze situatie doet zich hier niet voor. Bij Rechtbank Oost-Brabant is het beroep tegen de aanslag watersysteemheffing immers tegelijk ingesteld en behandeld met het beroep tegen de WOZ-beschikking, aldus het Hof.

X komt in cassatie tevergeefs op tegen dit oordeel. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat X niet is benadeeld doordat de Heffingsambtenaar niet heeft gewacht met het doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing. Het daaruit voortvloeiende oordeel van het Hof dat die uitspraak in stand kan blijven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het Hof heeft de Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding aan X van immateriële schade en van de kosten van het geding bij het Hof, en hem gelast het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Het Hof had echter tevens moeten bepalen dat de Heffingsambtenaar wettelijke rente dient te vergoeden over deze bedragen vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van het Hof tot aan de dag van algehele voldoening daarvan, omdat X daar in hoger beroep om had verzocht. Op dit punt is het cassatieberoep van X gegrond. De Hoge Raad doet de zaak af.

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2018
Instantie
HR
Datum instantie
18 maart 2022
Rolnummer
21/03231
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:381
Auteur(s)
Veerle Drok
EY
NLF-nummer
NLF 2022/0732
Aflevering
14 april 2022
Judoreg
NFB4945
bwbr0005108&artikel=131,bwbr0005108&artikel=131,bwbr0007119&artikel=22,bwbr0007119&artikel=22

X