Direct naar content gaan

Gerelateerde content

  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Samenvatting

Een Nederlander was in 1999 naar Zwitserland verhuisd. De inspecteur zond de aanslag IB/Premie 1997 van fl. 295.475 naar het toen bij de Belastingdienst bekende adres, waar de Nederlander op dat moment echter niet meer woonde. De Nederlander had de inspecteur niet op de hoogte gesteld van zijn verhuizing. Toen hij bezwaar maakte tegen de aanslag verklaarde de inspecteur hem wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk.
Met het Hof beslist de Hoge Raad dat hij terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat de aanslag op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat de bezwaartermijn begon te lopen op de dag na de dagtekening van de aanslag. Dat kan anders zijn als de aanslag de belastingschuldige niet heeft bereikt door een fout van de Belastingdienst (bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de Belastingdienst is te verwijten). Daarvan is in casu echter geen sprake.
Voorts beslist de Hoge Raad dat de inspecteur geenszins verplicht was om de aanslag naar zijn adviseur te sturen. Daarom had de Nederlander namelijk niet verzocht en ook had hij zijn adviseur niet als zijn vertegenwoordiger aangewezen.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
1997
Instantie
HR
Datum instantie
5 maart 2004
Rolnummer
39.245
ECLI
ECLI:NL:HR:2004:AO5063

Naar de bovenkant van de pagina