Direct naar content gaan

Samenvatting

Een belastingplichtige heeft twee chronisch zieke kinderen. De kinderen worden in verband met een aangeboren eczeem dagelijks met vette zalf ingesmeerd, zodat dagelijks kleding en beddengoed moeten worden verschoond.
Op grond van artikel 6.17, lid 1, letter d Wet IB 2001 (tekst 2004) worden de extra uitgaven voor kleding en beddengoed voor de kinderen aangemerkt als kosten van ziekte. Het bedrag van die extra uitgaven is in 2004 op grond van artikel 38, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 forfaitair vastgesteld op 320 euro per kind.
Het geschil voor het Hof betrof onder meer de vraag of de belastingplichtige voor het jaar 2004 in verband met de chronische ziekte van de kinderen tevens in aanmerking komt voor de forfaitaire aftrek die is voorzien in artikel 6.22, lid 2, Wet IB 2001. Volgens het Hof komt hij niet voor de aftrek in aanmerking omdat de uitgaven niet uitkomen boven het in de wet voorziene drempelbedrag van 307 euro per kind.
De belastingplichtige heeft cassatieberoep ingesteld tegen het oordeel van het Hof dat het in artikel 38, lid 1 van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 voorziene forfaitaire bedrag niet geldt voor de toepassing van artikel 6.22, lid 2 Wet IB 2001.
De Minister van Financiƫn heeft in zijn verweerschrift in cassatie vermeld dat het forfaitaire bedrag van 320 euro dat op grond van artikel 6.17 Wet IB 2001 jo. artikel 38 van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 als extra uitgaven voor kleding en beddengoed wordt aangemerkt, ook heeft te gelden voor de toepassing van artikel 6.22 Wet IB 2001. Op verzoek van de Minister heeft de inspecteur de aanslag dienovereenkomstig verminderd.
Nu de inspecteur tijdens de cassatieprocedure geheel aan de klachten van de belastingplichtige tegemoet is gekomen, kan het cassatieberoep niet meer tot een gunstiger resultaat leiden, aldus de Hoge Raad.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep wegens een gebrek aan belang niet-ontvankelijk. Hij merkt hierbij op dat de belastingplichtige in casu geen belang bij een oordeel van de rechter heeft over de gegrondheid van het beroep met het oog op een vordering tot schadevergoeding. Hij heeft namelijk niet gesteld dat hij als gevolg van het bestreden besluit ook afgezien van de proceskosten schade heeft geleden.
De Hoge Raad bepaalt dat het door de belastingplichtige betaalde griffierecht wordt vergoed en veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten, vastgesteld op 1.748 euro voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2004
Instantie
HR
Datum instantie
3 december 2010
Rolnummer
09.04397
ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BO5988
bwbid=bwbr0&artikel=6.17,bwbid=bwbr0&artikel=6.22,bwbid=bwbr0&artikel=38,bwbr0005537&artikel=8:74&lid=2

Naar de bovenkant van de pagina