Direct naar content gaan

Samenvatting

Erflaatster X is in 2013 overleden. Enige erfgenamen zijn haar echtgenoot en zoon. De aanslag IB/PVV 2013 van X is overeenkomstig de aangifte vastgesteld op een te ontvangen bedrag aan algemene heffingskorting van € 715. Ten tijde van het vaststellen van de voornoemde aanslag bedroeg het door de echtgenoot over het jaar 2013 verschuldigde bedrag aan te betalen IB/PVV € 715. Dit bedrag is op verzoek nader vastgesteld op nihil. Het bedrag van € 715 is aan de echtgenoot terugbetaald op 3 april 2018. Aan de erven X is op 21 april 2018 een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij het bedrag van € 715 aan IB/PVV is nagevorderd en € 111 aan belastingrente in rekening is gebracht.

Bij Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil of de beschikking inzake belastingrente terecht is vastgesteld. De erven stellen zich op het standpunt dat zij na het overlijden van erflaatster, gelet op haar testament, als erven voor de heffing van IB/PVV 2013 met de echtgenoot vereenzelvigd moeten worden, zodat er sprake is van één belastingplichtige en de teruggave van € 715 wegvalt tegen het nagevorderde bedrag van dezelfde omvang.

Het Hof heeft geoordeeld dat er geen mogelijkheid is voor vereenzelviging van de erven en de echtgenoot, omdat de Wet IB 2001 uitgaat van geïndividualiseerde belastingheffing. Daarbij heeft het Hof verwezen naar de bepaling omtrent de bevoegdheden en verplichtingen van rechtverkrijgenden onder algemene titel in artikel 44 AWR. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor een wettelijk systeem dat in dit geval ertoe leidt dat over de vermindering van de aanslag van de echtgenoot geen belastingrente wordt vergoed, terwijl bij de navorderingsaanslag van de erven wel belastingrente is verschuldigd.

De erven hebben cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart dat ongegrond.

De wettelijke bepalingen laten niet toe om bij de berekening van ter zake van een belastingaanslag verschuldigde belastingrente acht te slaan op een recht op vermindering uit hoofde van een andere belastingaanslag of een andere beschikking met betrekking tot een andere belastingplicht. Dat geldt ook in een geval als dit, waarin de vermindering en de navordering rechtstreeks met elkaar samenhangen. Anders dan de erven kennelijk menen, is in dit verband niet van belang of de echtgenoot met de beide erfgenamen vereenzelvigd kan of moet worden.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2013
Instantie
HR
Datum instantie
13 november 2020
Rolnummer
20/01266
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1778
Auteur(s)
Lisa van Esdonk-Bongaarts
Hertoghs advocaten
NLF-nummer
NLF 2020/2563
Aflevering
26 november 2020
Judoreg
NFB3838
bwbr0002320&artikel=30fc&lid=1,bwbr0002320&artikel=30fc&lid=2,bwbr0002320&artikel=30fe&lid=1,bwbr0002320&artikel=30fc&lid=1,bwbr0002320&artikel=30fe&lid=1

Naar de bovenkant van de pagina