Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(4)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving(1)
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(20)
  • Commentaar NLFiscaal(9)
  • Literatuur(19)
  • Recent(5)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(2)

Deze zaak gaat over oud recht, dat nog wel na-ijlt. X (bv; belanghebbende) heeft in 2010 een houdsterverlies in de zin van artikel 20, lid 4, Wet VpB 1969 (oud) geleden van € 90.115. In 2015 heeft zij C (bv) opgericht en die bv vanaf haar oprichting met haar in een fiscale eenheid ex artikel 15 Wet VpB 1969 opgenomen. X was in 2016 een houdstervennootschap; C daarentegen oefende een materiële onderneming uit. X heeft voor 2016 een belastbare geconsolideerde winst van € 16.420 aangegeven, bestaand uit een eigen verlies van € 5.654 en een winst van € 22.074 van C. Zij heeft die geconsolideerde winst verrekend met haar houdsterverlies uit 2010, resulterend in een belastbaar bedrag 2016 van nihil.

De Inspecteur heeft verrekening van het houdsterverlies geweigerd en de belastbare winst 2016 vastgesteld op € 16.420.

In geschil is of het houdsterverlies 2010 verrekend kan worden met de belastbare winst 2016.

Rechtbank Den Haag (NLF 2020/0485, met noot van Ruijschop) heeft het beroep van X ongegrond verklaard.

X stelt in sprongcassatie dat grammaticale interpretatie van artikel 20, lid 4 jo.artikel 15ae, lid 1, onderdeel a, Wet VpB 1969 jo. artikel 5, lid 4, Besluit FE 2003 leidt tot verrekening van haar voorvoegingshoudsterverlies 2010 met de belastbare winst 2016 en dat er teleologisch geen reden is om van de duidelijke wettekst af te wijken.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van X gegrond. Het oordeel van de Rechtbank berust op een onjuiste rechtsopvatting. De vraag op welke wijze bij de vaststelling van het belastbare bedrag van X van 2016 een verlies van een voorafgaand jaar tot verrekening kan komen, moet worden beantwoord aan de hand van – onder meer – de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen. Deze bepalingen zijn – voor de hier aan de orde zijnde kwestie – duidelijk en laten op grond van hun bewoordingen niet een andere conclusie toe dan dat het houdsterverlies wordt verrekend met de belastbare winst van X van 2016. Daarbij komt dat elk van die bepalingen haar eigen achtergrond en ratio kent. De omstandigheid dat de uitkomst van de toepassing van het samenstel van die bepalingen bij een grammaticale uitleg op gespannen voet staat met doel en strekking van een of meer van die bepalingen als zij op zichzelf worden beschouwd, kan niet rechtvaardigen dat aan dit samenstel van bepalingen een andere uitleg wordt gegeven.

Conform Conclusie A-G Wattel (NLF 2020/2023, met noot van Ruijschop).

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2016
Instantie
HR
Datum instantie
11 juni 2021
Rolnummer
20/00239
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:884
Auteur(s)
Michel Ruijschop
BDO
NLF-nummer
NLF 2021/1300
Aflevering
1 juli 2021
Judoreg
NFB4420
bwbr0002672&artikel=15ae,bwbr0002672&artikel=15ae&lid=3,bwbr0002672&artikel=15ae&lid=3,bwbr0002672&artikel=20&lid=4,bwbr0002672&artikel=20&lid=4,bwbr0002672&artikel=34i,bwbr0002672&artikel=34i,bwbr0014483&artikel=5&lid=4,bwbr0014483&artikel=5&lid=4

X