Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

X (bv; belanghebbende) drijft een groothandel in papier- en kartonwaren. Op 24 oktober 2017 is in naam en voor rekening van X aangifte gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van een partij steenpapier.

In hoger beroep is in geschil of aan X terecht een utb is uitgereikt. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of het steenpapier moet worden ingedeeld onder GN-code 3920 10 28 (standpunt Inspecteur), dan wel onder GN-code 6815 99 00 of post 4901 (standpunten X).

Tussen partijen is niet in geschil dat het product (steenpapier) bestaat uit drie componenten: circa 80% marmerpoeder (een restproduct van de marmerwinning), circa 18% high density polyethyleen en circa 2% coating.

Volgens Hof Amsterdam ontleent het product zijn wezenlijke karakter aan het polyethyleen en dient het daarom met toepassing van regel 3b te worden ingedeeld in post 3920, meer in het bijzonder in postonderverdeling 3920 10 28. De omstandigheid dat het product voor 80% uit marmerpoeder bestaat en slechts voor 18% uit polyethyleen staat niet aan dit oordeel in de weg (vgl. HvJ 3 juni 2021, zaak C-76/20, BalevBio EOOD, punt 66).

De omstandigheid dat het Hof tot een andere indeling komt dan Rechtbank Noord-Holland (post 3921) leidt niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep van X, omdat voor de posten 3920 en 3921 hetzelfde tarief (6,5%) van toepassing is.

Rubriek(en)
Douane
Belastingtijdvak
2017
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
30 november 2021
Rolnummer
20/00626
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:4095
NLF-nummer
NLF 2022/0086
Aflevering
6 januari 2022

X