Direct naar content gaan

Samenvatting

Kan de taxivrijstelling worden verleend met terugwerkende kracht tot het moment van ingebruikneming van de betreffende auto’s? Dat is de kernvraag van deze procedure en meer specifiek: heeft de Inspecteur op basis van artikel 27, lid 5, Uitv.besl. MRB een discretionaire bevoegdheid om een andere ingangsdatum voor de vrijstelling te hanteren dan het tijdstip waarop het verzoek is gedaan?

Autoleasebedrijf X (bv; belanghebbende) heeft verzuimd om de zogenoemde taxivrijstelling te verzoeken voor auto’s die geleaset zijn door verschillende taxibedrijven. Dit verzuim heeft X in het najaar van 2016 geconstateerd. Op diverse data in 2016 heeft X voor de onderhavige 338 auto’s, die op haar naam zijn gesteld, verzoeken ingediend tot vrijstelling van MRB. Op diverse data in december 2016 en januari 2017 en op 6 maart 2017 zijn van rechtswege beschikkingen verleend aan X, waarbij de taxivrijstelling is verleend met ingang van het tijdvak waarin de verzoeken zijn gedaan.

X stelt dat de vrijstellingen met terugwerkende kracht moeten worden verleend, te weten vanaf het moment dat de auto’s zijn gaan rijden.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft X gelijk gegeven. Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat artikel 27, lid 5, Uitv.besl. MRB de bevoegdheid aan de Inspecteur geeft om een andere ingangsdatum dan het tijdstip van het verzoek te bepalen. Vervolgens heeft het Hof beoordeeld hoe de Inspecteur in zijn afweging van de bij zijn besluit betrokken belangen gebruik moest maken van die discretionaire bevoegdheid, als bezien in het licht van het evenredigheidsbeginsel. Het Hof is tot het oordeel gekomen dat de Inspecteur in redelijkheid niet kon oordelen dat de onderhavige vrijstellingen niet met terugwerkende kracht tot ingebruikneming van de auto’s konden worden verleend en heeft daarom alsnog de gevraagde terugwerkende kracht verleend.

De staatssecretaris heeft cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond. Volgens artikel 27, lid 5, Uitv.besl. MRB worden vrijstellingen van motorrijtuigenbelasting als regel verleend met ingang van het tijdstip waarop het verzoek is ingediend. Aldus ligt in het wettelijke systeem besloten dat de belastingplichtige een eigen verantwoordelijkheid heeft om tijdig een verzoek om vrijstelling te doen. Dat X als gevolg van eigen verzuim motorrijtuigenbelasting heeft betaald die zij niet verschuldigd zou zijn geweest wanneer zij de taxivrijstelling tijdig had aangevraagd en die zij, gelet op de ingangsdatum van de vrijstellingsbeschikkingen, niet terugbetaald zal krijgen, is niet als een onevenredig gevolg te beschouwen.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Autobelastingen
Belastingtijdvak
2016
Instantie
HR
Datum instantie
2 september 2022
Rolnummer
20/02121
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1124
Auteur(s)
Ivo Krukkert
Belastingdienst
NLF-nummer
NLF 2022/1812
Aflevering
22 september 2022
Judoreg
NFB5230
bwbr0005537&artikel=3:4,bwbr0005537&artikel=3:4,bwbr0005537&artikel=4:20,bwbr0005537&artikel=4:20,bwbr0005537&artikel=4:84,bwbr0005537&artikel=4:84,bwbr0006324&artikel=72,bwbr0006324&artikel=72,bwbr0007311&artikel=27,bwbr0007311&artikel=27

Naar de bovenkant van de pagina