Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(25)
  • Jurisprudentie(75)
  • Commentaar NLFiscaal(27)
  • Literatuur(88)
  • Recent(5)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(5)
X (bv; belanghebbende) maakt deel uit van een buitenlands concern. Zij heeft een rentedragende vordering op haar fiscale-eenheidsdochter B (bv). B heeft de daarmee verband houdende, rentedragende schuld aan X gealloceerd aan haar vaste inrichting in het buitenland. In verband met het afdekken van het valutarisico op de vordering van X op B, heeft X valutatermijncontracten gesloten met Treasury, een in het buitenland gevestigde dochtermaatschappij van B. Op deze valutatermijncontracten is door X een winst behaald van (per saldo) € 59.827.801.
In geschil is in de eerste plaats of de resultaten op de valutatermijncontracten dienen te worden toegerekend aan X of aan de vaste inrichting van B.
Hof Den Haag is met Rechtbank Den Haag van oordeel dat de resultaten op de valutatermijncontracten geen onderdeel uitmaken van de vrij te stellen winst van de vaste inrichting. De valutatermijncontracten hangen namelijk onlosmakelijk samen met de vordering van X op B. Die vordering behoort volgens de enkelvoudige balans tot het vermogen van X en kan evenmin worden toegerekend aan de vaste inrichting.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel naar aanleiding van het Besluit ‘Winstallocatie vaste inrichtingen’ wordt door het Hof verworpen.
X stelt zich verder op het standpunt dat de resultaten van de vaste inrichting voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting voor de jaren 2006 en 2007 niet dienen te worden verminderd met de aan de vaste inrichting toegerekende rentelasten op de schuld van B aan X. Het Hof verwerpt dit standpunt. In het onderhavige geval staat vast dat de rente in [buitenland] in de jaren 2006 en 2007 feitelijk in aftrek is toegelaten bij de berekening van de belastbare grondslag, zodat niet wordt voldaan aan de tegenbewijsregeling van artikel 15ac, lid 6, Wet VpB 1969. Artikel 10a Wet VpB 1969 staat hieraan niet in de weg. Het hoger beroep is ongegrond.
Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2006-2010
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
27 oktober 2021
Rolnummer
19/00754
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2021:2143
bwbr0002672&artikel=15,bwbr0002672&artikel=15ac

X