Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar van X (belanghebbende) tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.

Dat is ten onrechte, oordeelt Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Volgens de Rechtbank kan niet gezegd worden dat de gronden (volledig) ontbreken en aldus sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb. In het bezwaarschrift is opgenomen dat X het oneens is met onder meer de totstandkoming en hoogte van de naheffingsaanslag. Mede gelet op de aard van de bestreden beschikking (naheffingsaanslag) is dat een motivering die voldoende is om van ‘gronden’ te kunnen spreken. De bestrijding van de naheffingsaanslag is een voldoende motivering.

De omstandigheid dat X in het bezwaarschrift het heeft over ‘voorlopige gronden’, verzocht heeft om uitstel van nadere motivering en de omstandigheid dat die motivering uiteindelijk niet is gegeven, kan niet eraan afdoen dat het bezwaarschrift wel aan de motiveringseis voldeed (vgl. HR 6 januari 2012, 11/00725, ECLI:NL:HR:2012:BV0275).

De Rechtbank wijst de zaak terug naar de Heffingsambtenaar.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2022
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum instantie
20 januari 2023
Rolnummer
22/4027
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2023:235
NLF-nummer
NLF 2023/0278
Aflevering
2 februari 2023
bwbr0005537&artikel=6:5,bwbr0005537&artikel=6:5,bwbr0005537&artikel=6:6,bwbr0005537&artikel=6:6

Naar de bovenkant van de pagina