Direct naar content gaan

Samenvatting

Bij Rechtbank Gelderland is in geschil of de gemeente X (belanghebbende) vpb-plichtig is voor reclameactiviteiten.

X stelt zich primair op het standpunt dat de beoordeling of sprake is van een onderneming dient plaats te vinden ten aanzien van een cluster van activiteiten, namelijk de reclameactiviteiten en de activiteiten met betrekking tot het beheer van de openbare ruimte. Dit standpunt faalt, aldus de Rechtbank.

Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur evenwel niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de zelfstandig te beoordelen reclameactiviteiten sprake is van een onderneming.

X heeft voor verschillende typen reclamevoorzieningen overeenkomsten gesloten met diverse exploitanten. Het staat vast dat X op grond van de overeenkomsten in 2016 een bedrag van € 334.434 heeft ontvangen. In de bezwaarfase is de Inspecteur akkoord gegaan met toerekenbare kosten van € 95.412. In beroep heeft X gesteld dat de toerekenbare kosten hoger zijn, en een bedrag van € 368.299 betreffen. De Rechtbank acht deze kostenpost juist. Afgezet tegen de opbrengsten van € 334.434 moet worden vastgesteld dat in 2016 geen sprake is van een overschot. De Inspecteur heeft verder onvoldoende gesteld over de toekomstige jaren, zodat ook niet kan worden geoordeeld dat, ondanks dat in 2016 geen sprake is van een overschot, objectief gezien toch een winst viel te verwachten voor dat jaar. De Inspecteur heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de reclameactiviteiten sprake is van een winststreven. Vanwege het ontbreken van een winststreven is geen sprake van een onderneming.

Het beroep is gegrond.

Metadata

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2016
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum instantie
30 augustus 2022
Rolnummer
21/4131
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2022:5129
Auteur(s)
Gert-Jan de Ruiter
Deloitte
NLF-nummer
NLF 2022/1803
Aflevering
22 september 2022
Judoreg
NFB5221
bwbr0002672&artikel=5,bwbr0002672&artikel=5

Naar de bovenkant van de pagina