Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

X (nv; belanghebbende) heeft voor het tijdvak maart 2013 aangifte loonheffingen gedaan. Het afgedragen bedrag bestond voor een deel uit de zogenoemde pseudo-eindheffing hoog loon (crisisheffing).

Tegen de afdracht van dit bedrag heeft X bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Rechtbank Noord-Holland heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de crisisheffing verschuldigd is ter zake van een aan een bepaalde werknemer (hierna: Y) betaald bedrag. Het geschil spitst zich toe op de vraag of dit bedrag is genoten in 2012. Y had in 2009 recht op het betreffende bedrag toen duidelijk was geworden dat de 30%-regeling niet op hem van toepassing was. Het in 2012 uitbetaalde bedrag was volgens Hof Amsterdam vorderbaar en ook inbaar in 2009, in ieder geval op enig v贸贸r 2012 gelegen moment, en is dus v贸贸r 2012 genoten. De goedkeuring van de staatssecretaris van 16 september 2013, BLKB2013/0801M, brengt dan mee dat het bedrag geen loon vormt dat voor de toepassing van artikel 32bd, lid 1, Wet LB 1964 (tekst voor 2013) moet worden aangemerkt als op 31 maart 2013 genoten. Het hoger beroep is gegrond.

Metadata

Rubriek(en)
Loonbelasting
Belastingtijdvak
2013
Instantie
Hof Amsterdam
Datum instantie
12 februari 2019
Rolnummer
17/00595
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2019:533
NLF-nummer
NLF 2019/1316
Aflevering
6 juni 2019
bwbr0002471&artikel=32bd

Naar de bovenkant van de pagina