Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(24)
  • Commentaar NLFiscaal(10)
  • Literatuur(2)
  • Recent(5)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

Per 28 februari 2013 is de arbeidsovereenkomst tussen X (belanghebbende) en een werknemer (hierna: E) beëindigd. Aan E is een beëindigingsvergoeding toegekend van € 1.441.188. Aan E zijn in de periode 2006 tot en met 2012 aandelengerelateerde beloningen toegekend, waaronder Restricted Stock Units (RSU’s) en Performance Units (PU’s).

In geschil is of de aan E vóór 2012 toegekende RSU’s en PU’s behoren tot de grondslag van de vertrekvergoeding als bedoeld in artikel 32bb Wet LB 1964. Dat is volgens Rechtbank Den Haag het geval.

X betoogt tevergeefs dat de RSU’s en PU’s kwalificeren als aandelenoptierechten.

De RSU’s geven aan de werknemer een recht op levering van aandelen of uitbetaling in contanten, onder de voorwaarde dat de werknemer op het vestingmoment in dienstbetrekking is bij X. Met de PU’s verkrijgt de werknemer een recht om (in de toekomst) gewone aandelen van X te ontvangen. De toekenning van deze PU’s vindt plaats in een ‘Performance Period’ van drie jaar waarin bepaalde doelstellingen worden gehaald. Volgens de Rechtbank is X aldus een recht op levering van de aandelen overeengekomen en geen aandelenoptierecht. Het recht op levering van aandelen in het onderhavige geval betreft de aandelen zelf en dient dan ook met de aandelen te worden vereenzelvigd. Alle stellingen van X worden verworpen.

Het beroep is ongegrond.

De heffing van 75% over het excessieve deel van een aan de werknemer toegekende vertrekvergoeding blijft voor inhoudingsplichtigen moeilijk te verteren. Dat blijkt maar weer uit deze uitspraak.

Tijdsverloop tussen ontslag, doen van aangifte en opleggen aanslag

Een inhoudingsplichtige beëindigt per 28 februari 2013 de dienstbetrekking met een werknemer onder toekenning van een beëindigingsvergoeding van € 1.441.188. Deze vergoeding is op 1 juni 2016 aangegeven. Er is dus een tijdsverloop van meer dan drie jaar tussen het moment van beëindigen van de dienstbetrekking en het doen van aangifte van de excessieve vertrekvergoeding. Uit de uitspraak is niet op te maken wat de oorzaak van dit tijdsverloop is. Ik kan mij voorstellen dat een oorzaak kan zijn dat inhoudingsplichtigen moeite hebben met het onderkennen of loonbestanddelen onderdeel vormen van de ontslagvergoeding waarop de regels van de excessieve vertrekvergoeding van toepassing zijn. Immers het uitbetalen van Restricted Stock Units (RSU’s ) of Performance Units (PU’s) zal niet snel gezien worden als het betalen van een ontslagvergoeding. Het zijn loonbestanddelen waar een werknemer recht op heeft, ook bij een (eerder) vertrek, maar worden arbeidsrechtelijk niet beschouwd als een ontslagvergoeding.

Verder valt op dat door de Inspecteur is afgeweken van de gedane aangifte doordat hij een hogere naheffingsaanslag oplegt dan waarom de inhoudingsplichtige verzocht. Deze aanslag is overigens ruim een jaar na de aangifte op 27 juli 2017 opgelegd. Dit tijdsverloop zal verklaard worden door communicatie tussen de inhoudingsplichtige en de Belastingdienst over de op te leggen naheffingsaanslag. Het effect van het totale verloop in tijd is overigens dat de inhoudingsplichtige naast het bedrag van de excessieve vertrekvergoeding ook nog een gepeperde rekening voor belopen belastingrente ontvangt. In de opgelegde aanslag is een bedrag aan belastingrente begrepen van € 101.870.

Behoren RSU’s en PU’s tot de grondslag voor excessieve vertrekvergoedingen?

De primaire en subsidiaire stelling van de inhoudingsplichtige is dat de voor 2012 toegekende RSU’s en PU’s niet meetellen in de grondslag voor de excessieve vertrekvergoeding, omdat RSU’s en PU’s kwalificeren als aandelenoptierechten of daarmee gelijk te stellen zijn. Naar mijn mening een weinig kansrijke stelling. Zowel de toegekende RSU’s als de PU’s geven de werknemer een ‘automatisch’ recht op levering van een aandeel, weliswaar onder voorwaarden en op termijn. Groot verschil met een aandelenoptierecht is dat RSU’s en PU’s geen uitoefenprijs en geen keuzerecht kennen. Daarbij is met het keuzerecht bedoeld, de keuze die de werknemer heeft om zijn aandelenoptierecht wel of niet uit te oefenen. De Hoge Raad heeft in 20141 al bepaald dat een recht op levering van aandelen niet te vergelijken is met aandelenopties.

Indien mijn veronderstelling juist is dat de inhoudingsplichtige niet heeft onderkend dat RSU’s en PU’s onderdeel vormen van de excessieve vertrekvergoeding, is het ongemak van de inhoudingsplichtige goed te begrijpen. Hij ziet zich geconfronteerd met een onverwachte en nogal forse extra belasting- en rentelast. Het ongemak heeft echter (helaas voor de inhoudingsplichtige) geen invloed op zijn proceskansen.

Rubriek(en)
Loonbelasting
Belastingtijdvak
2013
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum instantie
14 november 2019
Rolnummer
18/7984
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:11920
Auteur(s)
Jurgen Stormmesand
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF 2020/0105
Aflevering
9 januari 2020
Judoreg
NFB2973
bwbr0002471&artikel=32bb

X