Direct naar content gaan

Samenvatting

Aan een vrouw is een verzuimboete van 113 euro opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002. De vrouw stelt dat ze de aan de boete ten grondslag liggende aanmaning niet heeft ontvangen zodat de boete ten onrechte is opgelegd. Het Hof acht echter de verklaring van de inspecteur aannemelijk dat wel een aanmaning aan de vrouw is gezonden, hetgeen volgens de inspecteur ook blijkt uit een registratiebestand. Tegen dit oordeel stelde de vrouw cassatieberoep in. Volgens de Hoge Raad mag er geen boete ex artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) worden opgelegd zonder dat er vooraf een aanmaning is verzonden. De inspecteur moet dit bewijzen. Daarbij kan hij volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Bij het leveren van tegenbewijs is het voldoende als een belastingplichtige aannemelijk kan maken dat de ontvangst van de aanmaning kan worden betwijfeld (HR 25 oktober 2002, nr. 36.898, BNB 2003/14). Het staat de feitenrechter vrij om dit te beoordelen. Slaagt de belastingplichtige in zijn bewijs dan is het aan de inspecteur om nader bewijs te leveren. Hij kan bijvoorbeeld aannemelijk maken dat het aan de belastingplichtige zelf is te wijten dat de aanmaning niet is ontvangen.
Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Bovendien blijkt uit het registratiebestand van de inspecteur niet naar welk adres de aanmaning is verzonden. Ook op dit punt is onbegrijpelijk hoe het Hof zijn bewijsoordeel mede heeft doen steunen op de verklaring van de inspecteur met betrekking tot het registratiebestand. De zaak is verwezen.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2002
Instantie
HR
Datum instantie
15 december 2006
Rolnummer
41.882
ECLI
ECLI:NL:HR:2006:AZ4416
bwbr0002320&artikel=67a&lid=1

Naar de bovenkant van de pagina