Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(9)
  • Commentaar NLFiscaal(3)
  • Literatuur(1)
  • Recent

In deze procedure gaat het om de vraag of X en Y door verjaring een erfdienstbaarheid hebben verkregen die hen het recht geeft om vanuit hun achtertuin via de tuinpoort te komen en te gaan van en naar de openbare weg door de steeg die zich bevindt op het naastgelegen perceel van A. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft – kort gezegd – geoordeeld dat X en Y op grond van artikel 3:105 jo. 3:306 BW eigenaren zijn geworden van de erfdienstbaarheid door verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit.

Het cassatiemiddel van A richt zich met acht onderdelen tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. De onderdelen stellen diverse vragen aan de orde, die nagenoeg alle betrekking hebben op het voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door verjaring vereiste ‘bezit van een erfdienstbaarheid’ (artikel 3:108 BW). De Hoge Raad doet de zaak af met toepassing van artikel 81 Wet RO.

Rubriek(en)
Belastingen van rechtsverkeer
Belastingtijdvak
1993 e.v.
Instantie
HR
Datum instantie
15 mei 2020
Rolnummer
19/00926
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:876
NLF-nummer
NLF 2022/0852
Aflevering
28 april 2022
bwbr0002740&artikel=3,bwbr0002740&artikel=3,bwbr0002740&artikel=3&lid=1,bwbr0002740&artikel=3&lid=1

X