Direct naar content gaan

Samenvatting

In deze opinie schetst Philippe Albert de fiscale gevolgen van het verstrekken van gratis woonruimte aan Oekraïense oorlogsslachtoffers door een bv.


De auteur schrijft dit artikel op persoonlijke titel.

Sinds Poetin op 24 februari 2022 een ‘militaire operatie’ in Oekraïne begon wordt bevestigd wat we uit de geschiedenis al wisten: de mens blijkt steeds in staat tot het kwade (vernietiging, marteling, verkrachting), maar ook tot het goede (onbaatzuchtige hulp aan de medemens). Een voorbeeld van dat laatste is dat er in Nederland enkele tienduizenden gastgezinnen zijn die Oekraïners in hun huis (willen) opvangen. Een dga heeft de mogelijkheid de huisvesting van Oekraïense vluchtelingen via zijn besloten vennootschap (bv) te laten plaatsvinden. Ik bespreek de fiscale gevolgen van de volgende twee varianten:

  • een bv huurt woonruimte om er Oekraïners in te huisvesten zonder dat de bv een tegenprestatie verlangt (directe verarming);
  • een bv die in het bezit is van woonruimte, stelt die woonruimte gratis ter beschikking aan Oekraïense vluchtelingen (indirecte verarming).

Directe verarming

Een bv huurt voor een bedrag van (stel) € 25.000 aan woonruimte om er Oekraïense oorlogsslachtoffers in te huisvesten zonder dat de bv een tegenprestatie ontvangt. De mogelijke fiscale gevolgen van de betaling van € 25.000 zijn:

  1. het bedrag van € 25.000 is voor de bv aftrekbaar (kostenpost); of
  2. het bedrag van € 25.000 is voor de bv niet aftrekbaar (onttrekking); of
  3. het bedrag van € 25.000 is voor de bv niet aftrekbaar en vormt bovendien een verkapte winstuitdeling aan de aandeelhouder van de bv.

In het Renpaarden-arrest en het Bentley-arrest, overwoog de Hoge Raad:

‘Door een vennootschap gedane uitgaven ontberen slechts dan een zakelijk karakter – en kunnen derhalve niet ten laste van de winst worden gebracht – indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s).’

Volgens mij kunnen uitgaven ter leniging van de behoeften van oorlogsslachtoffers niet aangemerkt worden als uitgaven ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder van de bv. Bij de bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder moet er volgens mij een consumptief genot bij de aandeelhouder zijn (zoals bij renpaarden en Bentley’s) of een bevoordeling van een persoon in de privésfeer van de aandeelhouder (kinderen, partner, familie). Het gaat mij te ver om uitgaven die zijn gedaan op humanitaire gronden (uitgaven waar de aandeelhouder zelf niet beter van wordt) te betitelen als uitgaven ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder van de bv.

Uit de geciteerde overweging lijkt te moeten worden afgeleid dat de Hoge Raad mogelijkheid b (onttrekking) bij voorbaat van de hand wijst. (Volgens mij ten onrechte – zie mijn noot in BNB 2008/139 – maar dit terzijde.) Mogelijkheid c (verkapte winstuitdeling) is aan de orde als men de ondersteuning van oorlogsslachtoffers slechts als een privéaangelegenheid van de aandeelhouder kan zien. Dat laatste lijkt mij niet juist. Een bv is een zelfstandig rechtssubject. Dat betekent dat (voor de toepassing van het civiele, straf- en belastingrecht) aan een bv handelingen en gemoedstoestanden worden toegerekend van de natuurlijke personen die de bv vertegenwoordigen (zoals spanning, frustratie, opzet en grove schuld). Bovendien zullen er ook vennootschappen zijn (bijvoorbeeld beurs-nv’s) die een vergelijkbare uitgave doen zonder dat de aandeelhouders op die uitgave aandringen.

Conclusie: het bedrag van € 25.000 is voor de bv aftrekbaar (vormt een kostenpost).

Indirecte verarming

In economisch opzicht lijken een directe verarming (een uitgave) en een indirecte verarming (gemiste inkomst) erg op elkaar. Voor de belastingheffing is het daarentegen niet vanzelfsprekend om bij een gemiste inkomst een zogenoemd kasrondje te fingeren. Een ‘kasrondje’ betekent dat de gemiste inkomst voor de belastingheffing wordt behandeld als een genoten inkomst, onmiddellijk gevolgd door een verrichte uitgave.

Indirecte verarming in de inkomstenbelasting

Ik begin met een uitstapje naar een enigszins vergelijkbare casus. Die casus houdt in dat een IB-ondernemer een pand dat tot zijn ondernemingsvermogen behoort, gratis ter beschikking stelt aan Oekraïense vluchtelingen. Is er dan een kasrondje aan de orde? Met andere woorden: moet de IB-ondernemer zijn winst verhogen met een zakelijke huurvergoeding? Het antwoord kan worden gevonden in een arrest van ruim vijftig jaar oud, te weten het arrest van 30 oktober 1968. In dit arrest ging het om een makelaar die ervan afzag (zelf) een voordelige onroerendgoedtransactie te sluiten. Hij liet de transactie (bestaande uit een aankoop van onroerend goed voor ƒ 14.000, onmiddellijk gevolgd door een doorverkoop voor ƒ 20.000) over aan zijn schoonvader om hem aan wat geld te helpen. Het Hof was van mening dat het voordeel (in casu ƒ 6.000) bij de makelaar als winst uit onderneming belastbaar was. De Hoge Raad dacht daar anders over:

‘(…) dat toch het enkele feit, dat belanghebbende een winstmoge­lijkheid onbenut heeft gelaten teneinde zijn schoonvader in de gelegenheid te stellen een geldelijk voordeel te behalen, niet vormt een bijzondere omstandigheid als hierboven be­doeld, welke reden geeft tot afwijking van het beginsel, dat in de belasting slechts worden betrokken opbrengsten en inkomsten, die de belastingplichtige werkelijk heeft geno­ten’.

De hierboven geciteerde zin zal van overeenkomstige toepassing zijn op de IB-ondernemer die een pand dat tot zijn ondernemingsvermogen behoort, gratis ter beschikking stelt aan Oekraïense vluchtelingen. Men kan zich afvragen of de Hoge Raad thans (ruim vijftig jaar later) nog hetzelfde denkt over de makelaarscasus. Het antwoord luidt bevestigend. In r.o. 3.3.3 van zijn arrest van 24 december 2021 (het arrest waarin de Hoge Raad box 3 opblies), heeft de Hoge Raad namelijk zijn eerder genoemde arrest van 30 oktober 1968 herbevestigd.

Indirecte verarming in de vennootschapsbelasting

Stel dat de makelaar uit het arrest van 30 oktober 1968 zijn kantoor in bv-vorm had gedreven. Zou de bv het gemiste voordeel (ƒ 6.000) dan tot haar winst hebben moeten rekenen? Het antwoord luidt ontkennend, als de hiervoor geciteerde rechtsoverweging ook voor de vennootschapsbelasting geldt. Maar het is twijfelachtig of dat het geval is. De bv heeft van het voordeel afgezien ten gerieve van een persoon (schoonvader) die zich in de persoonlijke interessesfeer van haar aandeelhouder bevindt. In dat geval zou een ‘kasrondje’ naar mijn mening voor de hand liggen: de bv moet het gemiste voordeel (ƒ 6.000) tot haar winst rekenen, waarna de bv wordt geacht een verkapte winstuitdeling te hebben verricht van ƒ 6.000.

Maar het feit dat het arrest van 30 oktober 1968 niet voor de vennootschapsbelasting geldt, betekent niet dat in de vennootschapsbelasting overal maar kasrondjes kunnen worden toegepast. Het fingeren van een kasrondje bij gemiste inkomsten blijft volgens mij beperkt tot situaties waarin een persoon uit de privésfeer van de aandeelhouder wordt bevoordeeld. Om een voorbeeld te geven: als een bv gratis woonruimte ter beschikking stelt aan een kind van de aandeelhouder van die bv, is een kasrondje op zijn plaats (het bedrag van de gemiste huurinkomst behoort tot de winst van de bv en vormt een verkapte winstuitdeling aan de aandeelhouder). Als een bv daarentegen op humanitaire gronden gratis woonruimte ter beschikking stelt aan derden (Oekraïense oorlogsslachtoffers), is het fingeren van een kasrondje naar mijn mening niet aan de orde.

Conclusie

Er zijn geen fiscale belemmeringen voor humanitaire hulp. Dus dga, laat uw hart spreken!

bwbr0002672&artikel=8

Naar de bovenkant van de pagina