Direct naar content gaan

Politieke column

De energierekening en de benzineprijzen knallen omhoog. Voor sommige beleidsmakers is dat geweldig nieuws, want een prijsverhoging zet druk op ongewenst verbruik. Een effectievere prikkel tot meer verduurzaming is nauwelijks denkbaar. Ook door het mobiliteitsbrilletje ziet het er rooskleurig uit. Pleitbezorgers voor het terugdringen van files en voor de stimulering van OV-verkeer worden op hun wenken bediend.

Toch zijn de milieu- en mobiliteitsdoelen opeens op voorjaarsvakantie. De koopkrachtellende van burgers past op het huis, en dus heeft de Haagse politiek thans één doel voor ogen: koopkrachtreparatie. Het kabinet kwam onlangs met een plan voor een btw-verlaging op de energierekening van 21% naar 9% (per 1 juli).

Dit plan heeft veel weg van een initiatiefwetsvoorstel van de PVV – een paar weken geleden al ingediend – om de btw op de energierekening op 0% te zetten (‘Tijdelijke noodwet betaalbare energie’). Het kabinet verlaagt overigens ook de accijns op benzine en diesel (per 1 april) en verhoogt het subsidiebedrag van de energietoeslag voor minima. Dat laatste zit ook in het initiatiefwetsvoorstel. Andere partijen en het kabinet hebben de neiging de PVV te negeren, maar mij lijkt het wel zo eerlijk om de PVV te noemen als de geestelijk vader van de contouren van deze koopkrachtreparatie.  

Het totale compensatiepakket kost € 2,8 miljard in 2022. Het kabinet meent dat een meevaller van de Brexit en de hogere gasbaten tot en met 2027 als budgettaire dekking voor deze forse rekening kunnen dienen. Mij stemt deze boekhoudkundige creativiteit tot vrolijkheid. Als dit kan, komt het met de rekening voor de saga van box 3 ook wel goed. Tenzij belastingstaatssecretaris Van Rij blijft vasthouden aan niet-bestaande begrotingsregels en daarbij in wezen willekeur etaleert om vooral een ingreep in box 2 te vergoelijken.

Zoals altijd, is het parlement hongeriger dan de omvang van de voorgeschotelde kabinetsmaaltijd. Er is iets bedacht om die honger te stillen. Zo wil de Tweede Kamer bovenop het pakket de onbelaste reiskostenvergoeding van 19 cent per kilometer zo snel mogelijk verruimen. In het coalitieakkoord is een stapsgewijze verhoging voorzien per 2024 en 2025, maar de prangende vraag is dus of dit niet sneller kan. Zo kissebissen Kamerleden en kabinet over een paar cent onbelaste reiskostenvergoeding, waarvoor uiteindelijk natuurlijk de werkgevers aan de lat staan.

Bijna was die onbelaste reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer er trouwens helemaal niet meer geweest. Tien jaar geleden kwamen partijen in een begrotingsakkoord overeen deze regeling te schrappen en alleen nog in stand te laten voor zakelijk verkeer. Er werd zelfs een apart wetsvoorstel ingediend (‘Herziening fiscale behandeling woon- werkverkeer’), waarbij in de toelichting het tegengaan van filedruk en het stimuleren van OV-gebruik werden bejubeld. Ook zou de aanscherping het thuiswerken verder in het zadel helpen. Allengs werd deze keutel toch ingetrokken. Het lukte tegenstanders het schrappen van de vergoeding te munten als de ‘forenzentaks’. Daarmee was het pleit beslecht.

En nu staan we dus aan de vooravond van de verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding. Het is nog even spannend wanneer de verhoging precies ingaat, maar daar neuzelt de politiek zichzelf wel uit.

Bij de vertaling van een wereldwijde crisis in vaderlandse problemen komt in de Nederlandse politiek steevast de fiscale verbanddoos tevoorschijn. De coronacrisis en de plicht tot thuiswerken mondden vorig jaar bijvoorbeeld uit in de introductie van een onbelaste thuiswerkvergoeding van maximaal € 2 per dag. En dit jaar leiden de Russische inval in Oekraïne en de geopolitieke energiecrisis ongetwijfeld tot versnelde invoering van de verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding met een paar cent.

Eigenlijk is het allemaal te triest voor woorden. Anderzijds is het een zegen dat we ons met dit soort fiscale triestheden kunnen bezighouden.

Metadata

Rubriek(en)
Loonbelasting
Wetsartikelen
Auteur(s)
Michiel Spanjers
Columnist
NLF-nummer
NLF-P 2022/11
Publicatiedatum
29 maart 2022
bwbr0002471&artikel=31a

Naar de bovenkant van de pagina