Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(5)
  • Internationale regelgeving(2)
  • Lagere regelgeving(1)
  • Besluiten(16)
  • Jurisprudentie(245)
  • Commentaar NLFiscaal(9)
  • Literatuur(45)
  • Recent(80)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(2)

De Inspecteur heeft de – tijdige – bezwaren van X (belanghebbende) inzake de box 3-heffing 2017 en 2018 gesplitst in een massaalbezwaarvraag en een individueel bezwaar. Hij heeft voor beide jaren het individueel bezwaar ongegrond verklaard.

Bij Hof Den Haag waren de individuele bezwaren in geschil. De vraag was of de box 3-heffing voor de jaren 2017 en 2018 wegens schending van artikel 1 EP moet worden verminderd omdat die heffingen voor X leidden tot een individuele en buitensporige last. Het Hof heeft geoordeeld dat dat niet het geval was.

De tegen dit oordeel van het Hof gerichte klachten falen, aldus de Hoge Raad.

Het Hof heeft, in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021 (20/03092, ECLI:NL:HR:2021:963, NLF 2021/1410, met noot van Hoogwout) niet geoordeeld over de massaalbezwaarvraag.

Ten aanzien van de massaalbezwaarvraag heeft de staatssecretaris naar aanleiding van het Box 3-arrest van 24 december 2021 (21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963) op 4 februari 2022 een collectieve uitspraak gedaan. De bezwaren zijn gegrond verklaard. Artikel 25e, lid 4, AWR bepaalt dat de Inspecteur dan binnen zes maanden na de kennisgeving van de collectieve uitspraak de aanslagen moet verminderen. Tegen die vermindering staat geen beroep bij de belastingrechter open. De belanghebbende kan wel een verzoek om ambtshalve (verdere) vermindering van de aanslag indienen. Tegen de gehele of gedeeltelijke afwijzing door de Inspecteur van dat verzoek staat bezwaar open en vervolgens beroep bij de belastingrechter, oordeelt de Hoge Raad. Immers, ten tijde van het arrest van 24 december 2021 stonden de onder de aanwijzing massaal bezwaar vallende aanslagen nog niet onherroepelijk vast omdat de massaalbezwaarprocedure nog niet was afgerond.

Indien een bezwaar is gesplitst in een massaalbezwaarvraag en een individueel bezwaar, kan het voorkomen, zoals in dit geval, dat de belastingplichtige voor verwante geschilpunten over dezelfde aanslag twee procedures zou moeten doorlopen: de reeds aanhangige procedure over het individuele bezwaar en een nieuwe procedure naar aanleiding van het op de voet van artikel 9.6 Wet IB 2001 ingediende verzoek. Aangezien het daarbij steeds gaat over de juistheid van dezelfde aanslag, acht de Hoge Raad dat onevenredig bezwaarlijk. Daarom kan de feitenrechter, vanaf de datum van de collectieve uitspraak (4 februari 2022), bij de behandeling van het (hoger) beroep over het individuele bezwaar de gevolgen van die collectieve uitspraak, inclusief de beslissing over vermindering van de aanslag, meenemen in zijn beoordeling van de zaak. De Hoge Raad nuanceert in zoverre de rechtsregel in de laatste volzin van r.o. 5.4 van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021.

Als de zaak over het individuele bezwaar al bij de Hoge Raad ligt, zoals in casu, is het daarvoor te laat. Ook in zoverre falen de klachten.

Het cassatieberoep van X wordt ongegrond verklaard.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2017-2018
Instantie
HR
Datum instantie
20 mei 2022
Rolnummer
21/03587
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:718
Auteur(s)
Angelique Perdaems
Hertoghs advocaten
NLF-nummer
NLF 2022/1094
Aflevering
9 juni 2022
Judoreg
NFB5053
bwbr0002320&artikel=25c,bwbr0002320&artikel=25c,bwbr0002320&artikel=25d,bwbr0002320&artikel=25d,bwbr0002320&artikel=25e,bwbr0002320&artikel=25e,bwbr0011353&artikel=5.2,bwbr0011353&artikel=5.2,bwbr0011353&artikel=9.6,bwbr0011353&artikel=9.6,bwbv0001000&artikel=14,bwbv0001000&artikel=14,bwbv0001001&artikel=1,bwbv0001001&artikel=1

X