Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(10)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur(2)
  • Recent(1)

X (bv; belanghebbende) heeft in de jaren 2011 en 2012 verliezen geleden van resp. € 579.538 en € 30.620 (de verliezen). Nadat tussen de Inspecteur en X is gecorrespondeerd over de kwalificatie van de verliezen, heeft de Inspecteur deze bij beschikkingen van 31 januari 2014 (2011) en 23 augustus 2014 (2012) aangemerkt als houdsterverliezen in de zin van artikel 20, lid 4, Wet VpB 1969.

X heeft geen bezwaar gemaakt tegen de verliesvaststellingsbeschikkingen, omdat zij – zoals ter zitting verklaard – destijds de kwalificatie van de verliezen als houdsterverliezen over het hoofd heeft gezien. X heeft de verliezen in de aangiften vpb 2017 en 2018 verrekend met de winst. In beide aangiften heeft X aangegeven dat in de betreffende jaren sprake is van normale winst (niet-houdsterwinst). De Inspecteur heeft de verrekening van de houdsterverliezen bij de aanslagen gecorrigeerd. In geschil is of dat terecht is.

Dat is volgens Rechtbank Den Haag het geval. De verliesvaststellingsbeschikkingen 2011 en 2012 hebben formele rechtskracht gekregen. X kan de kwalificatie van de verliezen als houdsterverliezen dan ook niet in de onderhavige procedure aan de orde stellen. De Rechtbank merkt ten overvloede op dat de Inspecteur de kwalificatie van de verliezen ook niet ambtshalve kan herzien, omdat de vijfjaarstermijn die hiervoor geldt reeds is verstreken.

Het beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2011-2012
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum instantie
29 maart 2022
Rolnummer
21/730; 21/743
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:3119
NLF-nummer
NLF 2022/1209
Aflevering
23 juni 2022
bwbr0002672&artikel=20&lid=4,bwbr0002672&artikel=20&lid=4

X