Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(18)
  • Commentaar NLFiscaal(4)
  • Literatuur(7)
  • Recent(4)

De vader van X (belanghebbende) heeft op 27 juni 2001 ten titel van schenking een bedrag van € 3.861.875 van een Zwitserse bankrekening laten overboeken naar een eveneens bij deze bank aangehouden bankrekening van X. Vader was in gemeenschap van goederen gehuwd met de moeder van X. Vader is op 14 augustus 2002 overleden en moeder op 10 januari 2019.

Met dagtekening 3 november 2015 is aan X een aanslag schenkbelasting opgelegd. Volgens het aanslagbiljet betreft deze aanslag de schenking door moeder in 2001. Bij de berekening van de schenkbelasting is uitgegaan van een totale verkrijging van € 1.930.937 (de helft van € 3.861.875). Tevens is een vergrijpboete opgelegd. X heeft in een met de Belastingdienst gesloten vso na een inkeermelding van X het recht voorbehouden om bezwaar en beroep in te stellen inzake de schenkbelasting.

Bij Rechtbank Noord-Nederland is nog in geschil of de omstandigheid dat vader in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd met moeder, meebrengt dat moeder moet worden geacht in 2001 een bedrag van € 1.930.937 (de helft van het Zwitserse banktegoed) aan X te hebben geschonken. De Inspecteur staat in dit verband een economische benadering van het schenkingsbegrip voor. De Rechtbank volgt de Inspecteur niet. Moeder heeft in civielrechtelijke zin niet geschonken, ondanks dat zij in gemeenschap van goederen was gehuwd en dus effectief wel (voor de helft) is verarmd. Moeder heeft ook fiscaalrechtelijk geen schenking gedaan. De Rechtbank merkt hierbij op dat in de SW 1956 voor deze situatie niet is afgeweken van het civielrechtelijke vereiste dat schenkingen dienen te worden toegerekend aan degene die daarbij als schenker partij is.

De Rechtbank vernietigt de aanslag schenkbelasting en de vergrijpboete. De Rechtbank kent een forfaitaire proceskostenvergoeding toe. Het verzoek om een integrale kostenvergoeding wordt verworpen. De Inspecteur heeft niet tegen beter weten in geprocedeerd, aldus de Rechtbank.

Rubriek(en)
Schenk- en erfbelasting
Belastingtijdvak
2001
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum instantie
19 november 2020
Rolnummer
19/11
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2020:3983
Auteur(s)
Nicole Gubbels
Belastingdienst/Vrije Universiteit/Tilburg University
NLF-nummer
NLF 2020/2720
Aflevering
17 december 2020
Judoreg
NFB3886
bwbr0002226&artikel=1&lid=7,bwbr0002226&artikel=12

X