Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(7)
  • Jurisprudentie(85)
  • Commentaar NLFiscaal(5)
  • Literatuur(6)
  • Recent(7)

X (belanghebbende) heeft op 4 september 2008 een geldlening verstrekt van € 1.103.460 aan A (Ltd.), gevestigd in het VK. Als zekerheid voor deze lening is door A aan X een eerste recht van hypotheek verstrekt op onroerende zaken. Per 20 februari 2012 is A wegens opheffing uitgeschreven uit het Handelsregister.


In geschil is de waardering van de vordering op A in box 3 (aanslag IB/PVV 2015).


X bepleit waardering op nihil. De Inspecteur heeft de vordering na bezwaar gewaardeerd op € 772.442, zijnde 70% van de nominale waarde, en hiervan 50% toegerekend aan X.


Volgens Rechtbank Den Haag heeft de Inspecteur er terecht op gewezen dat X het eerste recht van hypotheek heeft op de onroerende zaken, waardoor hij zich kan verhalen op de onroerende zaken. Dat A niet meer bestaat, doet daarbij niet ter zake. De Inspecteur heeft met een correctie van 30% op de nominale waarde van de vordering in voldoende mate rekening gehouden met eventuele waardeverminderende omstandigheden bij de uitoefening van het recht van parate executie door X als hypotheekhouder. X heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vordering op A op een lager bedrag, laat staan op nihil moet worden gewaardeerd.


Hetgeen X in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hof Den Haag bevestigt het oordeel van de Rechtbank.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2015
Instantie
Hof Den Haag
Datum instantie
29 oktober 2020
Rolnummer
20/00337
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2020:2895
NLF-nummer
NLF 2021/2125
Aflevering
11 november 2021
bwbr0011353&artikel=5.3

X