Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(8)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(17)
  • Jurisprudentie(119)
  • Commentaar NLFiscaal(18)
  • Literatuur(19)
  • Recent(10)

Op 24 december 2014 heeft X (belanghebbende) van zijn vader alle aandelen in A Holding geschonken gekregen. Op het moment van schenking hield A Holding alle aandelen in B Holding. B Holding was eigenaar van een benzineservicestation. Zij verhuurde het benzineservicestation aan haar dochtervennootschap (C). C exploiteerde het benzinestation. Met ingang van 1 november 2015 heeft C het benzineservicestation verhuurd aan een derde, voor vijf jaar met een optieperiode van nogmaals vijf jaar.

De Inspecteur heeft aan X een navorderingsaanslag schenkbelasting opgelegd waarbij de toepassing van de BOR is teruggenomen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant (NLF 2020/0617, met noot van De Beer) heeft geoordeeld dat de verhuur van de onderneming geen intrekkingsgrond vormt voor de voorwaardelijke vrijstelling van de BOR, zodat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld.

In geschil is of met het aangaan van de huurovereenkomst wordt opgehouden winst uit onderneming te genieten als bedoeld in artikel 35e, lid 1, aanhef en onderdeel c, onder 3°, SW 1956, en daardoor niet wordt voldaan aan het voortzettingsvereiste.

Hof Den Bosch oordeelt dat de BOR wat betreft het voortzettingsvereiste in beginsel het stakings- en vervreemdingsbegrip uit de Wet IB 2001 volgt. Volgens het Hof is er geen aanleiding om in het onderhavige geval, te weten van verhuur van een eerst rechtstreeks door de vennootschap zelf gedreven onderneming, te oordelen dat niet is voldaan aan het voortzettingsvereiste. De oorspronkelijke onderneming is voortgezet, alleen de wijze van exploitatie van de onderneming is gewijzigd. De omstandigheid, zoals ter zitting duidelijk is geworden, dat de onderneming na afloop van de huurperiode in 2020 is verkocht, doet hieraan niet af omdat die verkoop buiten de termijn viel waarvoor het voortzettingsvereiste geldt, te weten een periode van vijf jaar na verkrijging van de aandelen.

Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

Rubriek(en)
Schenk- en erfbelasting
Belastingtijdvak
2014
Instantie
Hof Den Bosch
Datum instantie
29 juli 2021
Rolnummer
20/00155
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2021:2396
Auteur(s)
Almer de Beer
Grant Thornton
NLF-nummer
NLF 2021/1798
Aflevering
23 september 2021
Judoreg
NFB4547
bwbr0002226&artikel=35b,bwbr0002226&artikel=35e,bwbr0002672&artikel=2&lid=5,bwbr0002672&artikel=14c&lid=4,bwbr0011353&artikel=3.3,bwbr0011353&artikel=3.4,bwbr0011353&artikel=3.63,bwbr0011353&artikel=3.63&lid=1,bwbr0002226&artikel=35b,bwbr0002226&artikel=35e,bwbr0002672&artikel=2&lid=5,bwbr0011353&artikel=3.3,bwbr0011353&artikel=3.4,bwbr0011353&artikel=3.63

X