Direct naar content gaan

Samenvatting

X (belanghebbende) was dga van Y (bv). Y heeft tot en met oktober 2012 maandelijks aangifte gedaan, maar telkens de ingehouden loonbelasting niet afgedragen. De niet afgedragen loonbelasting over 2011 en 2012 is nageheven bij Y. Ter zake van de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 van X is geen loonbelasting als voorheffing verrekend. In cassatie is in geschil of X de in de jaren 2011 en 2012 ingehouden, maar niet afgedragen loonbelasting kan verrekenen met de aanslagen in de inkomstenbelasting.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft overwogen dat X, toen Y in liquiditeitsproblemen raakte, weliswaar heeft besloten de afgezonderde bedragen aan loonbelasting voorlopig niet af te dragen, maar de bedoeling had om alsnog tot afdracht over te gaan zodra de liquiditeitspositie van Y dat toeliet. Partijen hebben hieruit terecht de conclusie getrokken dat de loonbelasting is ingehouden, aldus het Hof.

De staatssecretaris is tegen het oordeel van het Hof in cassatie gekomen. De Hoge Raad verklaart dit ongegrond op de gronden vermeld in de punten 6.10 tot en met 6.13 van de conclusie van A-G Niessen.

‘6.10

In art. 27, lid 1, Wet LB 1964 is bepaald dat loonbelasting wordt geheven door inhouding op het loon. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan van inhouding in de zin van art. 27, lid 1, Wet LB 1964 worden gesproken "indien de inhoudingsplichtige een gedeelte van het overeengekomen brutobedrag van het loon niet uitbetaalt, en dit geschiedt met het oogmerk het niet uitbetaalde bedrag als loonheffing af te dragen. Dat de afdracht daadwerkelijk plaatsvindt is niet een voorwaarde om van inhouding te kunnen spreken."

6.11

Het Hof heeft in casu geoordeeld dat sprake is van inhouding.Dit oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten. Het oordeel van het Hof geeft mijns inziens niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende gemotiveerd zodat het in cassatie onaantastbaar is. Het eerste deel van het cassatiemiddel faalt derhalve.

6.12

Het tweede deel van het cassatiemiddel betreft het betoog van de staatssecretaris dat het oordeel van het Hof dat loonbelasting is ingehouden, nog niet betekent dat sprake is van geheven loonbelasting in de zin van art. 9.2 Wet IB 2001. Daarvan kan volgens de staatssecretaris slechts worden gesproken, indien belanghebbende te goeder trouw mocht menen dat de ingehouden loonbelasting ook zou worden afgedragen.

6.13

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien sprake is van inhouding, niet meer wordt toegekomen aan de vraag of de belanghebbende te goeder trouw was ter zake van de inhouding of niet. Slechts ingeval niet sprake is van inhouding, kan alsnog recht op verrekening van de loonbelasting met de inkomstenbelasting bestaan indien de belanghebbende te goeder trouw was ter zake van de inhouding. Ook dit betoog kan de staatssecretaris niet baten.’

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Loonbelasting
Belastingtijdvak
2011 en 2012
Instantie
HR
Datum instantie
1 december 2017
Rolnummer
17/01245
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:3038
Auteur(s)
Marcel Kawka
BDO
NLF-nummer
NLF 2017/2965
Aflevering
21 december 2017
Judoreg
NFB1039
bwbr0002471&artikel=27&lid=1,bwbr0002471&artikel=27&lid=1,bwbr0011353&artikel=9.2,bwbr0011353&artikel=9.2&lid=1,bwbr0011353&artikel=9.2

Naar de bovenkant van de pagina