Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Het wettelijk kader voor de kinderopvangtoeslag is zowel complex als strikt. Op de ouders rust de volledige bewijslast om aan te tonen dat zij in aanmerking komen voor een kinderopvangtoeslag. Uit de CAF-zaken is gebleken dat door de Belastingdienst een alles-of-niets-aanpak werd gehanteerd, waarbij een kleine tekortkoming al snel leidde tot het verlies van een volledig jaar kinderopvangtoeslag.


Weliswaar zijn er binnen het CAF-team mensen die vinden dat het te bar werd, maar dit heeft verder geen consequenties gehad voor het hardvochtige beleid. Paul de Haan blikt terug en vraagt zich af waar het alledaagse fatsoen bij de politiek en de ambtenaren is gebleven. 

‘En ik sta machteloos door de dorre letter van de wet. Zo gaan gehele groepen ten onder; ik zie dat zo vaak in mijn praktijk.’1

Recent een opvoering van Othello door toneelgroep Drijfzand in Rotterdam ondergaan; ruim twee uur 17e-eeuws toneel met een vitaliteit alsof het gisteren van de pers rolde. In het kort: Othello is zwart, allochtoon, stoer en succesvol en verliefd op Desdemona; Jago wit, autochtoon en vol woede over een gemiste promotie; Desdemona wit, inheems en vol liefde voor Othello. Een stuk met rauwe racistische ondertonen ten koste van Othello die het waagt een inheemse te trouwen, waarin Jago een netwerk van leugens en verdichtsels optuigt om de liefde tussen die twee te vergiftigen door Othello ervan te overtuigen dat zijn geliefde hem met Cassio bedriegt. Op het laatst verzucht Desdemona:

‘And have you mercy too! I never didOffend you in my life, never lov’d CassioBut with such general warranty of heavenAs I might love. I never gave him token.’2

Meer nog dan de xenofobie valt het op dat vooral de vrouwen in dit stuk integer zijn. De mannelijke hoofdpersonen zijn of kwaadaardig (Jago), verwijtbaar onnozel (Othello) of gewoon onnozel (de rest van de mannen).

Het is via racistische spreekkoren van voetbalfans in Den Bosch en het interim-rapport van de commissie Donner over de kinderopvangtoeslag vrij eenvoudig een link te maken van het 17e-eeuwse Shakespeare-verhaal naar vandaag. Al maakte Shakespeare uiteraard minder gebruik van afkortingen en ambtelijke gemeenplaatsen. Ik vat het interim-rapport voor u samen: Na de Bulgarenfraude is de in het kader van het Awir toegekende KOT door het CAF 11-team3 doorgeleid naar de IST4 ter verdere weging en bleek sprake van collectieve rechtlijnigheid en institutionele vooringenomenheid: in navolging van de No5 concludeert de commissie dat de overheid door het stof moet en de getroffen toeslaggerechtigden ruimhartig dient te compenseren. Uitdrukkelijk vermeldt de commissie dat ‘sorry’ niet genoeg is. Anders dan popzanger Elton John vermoedde (‘sorry seems to be the hardest word’) is sorry heden ten dage namelijk helemaal niet zo’n moeilijk woord meer, zeker niet in een parlementaire context. Voor de hardnekkige lezers: de Belastingdienst speelt afwisselend Jago en Othello, en Desdemona staat voor de getroffen ouders. Donner is de Venetiaanse doge in het stuk die omziet in verwondering.

Ik haal wat punten uit het heldere commissierapport aan:

  • De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) regelt het centrale thema van het toeslagenstelsel, namelijk bevoorschotting op basis van onzekere elementen die later pas vast komen te staan. Op de complexiteit in het toeslagenstelsel is al vele malen gewezen. In 2008 stelde een IBO-werkgroep (Interdepartementaal Beleidsonderzoek) mogelijke vereenvoudigingen voor (p. 26).
  • Samenvattend kan worden gesteld dat het wettelijk kader voor de KOT (Kinderopvangtoeslag), zoals dat is neergelegd in de Wet kinderopvang en de Awir en zoals dat tot voor kort werd uitgelegd in de jurisprudentie, zowel complex als strikt is. Op de ouders rust de volledige bewijslast om aan te tonen dat zij in aanmerking komen voor KOT. Daarnaast werd een alles-of-niets-aanpak gehanteerd, waarbij een kleine tekortkoming al snel leidde tot het verlies van een volledig jaar KOT (par. 3.2.4).
  • Het systeem stelt, zeker als meerdere toeslagen in het geding zijn, dus hoge eisen aan het ‘doenvermogen’ en de zelfredzaamheid van burgers (t.a.p., p. 27).
  • De voornaamste grondslag voor het bepalen van de hoogte van de KOT is het huishoudinkomen. Het juist schatten daarvan is al ingewikkeld voor huishoudens waarbij de partners in loondienst werken, maar helemaal voor toeslagontvangers met een flexibel arbeidscontract en zzp’ers (t.a.p., p. 27).
  • Tot slot maakt het politieke klimaat duidelijk dat de Tweede Kamer hinkte op twee gedachten. Aan de ene kant moest de staatssecretaris fraude en misbruik met toeslagen tegengaan, zoals naar voren kwam in het debat over de Bulgarenfraude. Aan de andere kant moest de staatssecretaris de dienstverlening aan burgers optimaliseren (t.a.p., p. 33). (PdH: NB De Raad van State had al eerder gezegd dat niet was gebleken van buitenproportioneel misbruik. De Bulgarenfraude kostte Nederland – als ik het goed heb gelezen – effectief € 5 miljoen. Heel vervelend maar begrotingstechnisch klein bier.)
  • Aanleiding voor de Afdeling om deze bestendige jurisprudentie te herzien, is dat in de loop der jaren de ernstige financiële gevolgen van deze jurisprudentielijn duidelijk zijn geworden; gezinnen kunnen hierdoor in grote en langdurige financiële problemen terecht komen (t.a.p., par. 4.4.2)
  • Het komt vaker voor dat de bestuursrechter er in de loop van de tijd achter komt dat de besluitvormingspraktijk van een bepaald bestuursorgaan kritisch(er) moet worden bekeken. Bestuursrechters krijgen zaken ‘per geval’ voorgelegd en dan kan het enige tijd duren voordat daaruit een duidelijk beeld van de besluitvormingspraktijk oprijst dat moet worden gecorrigeerd. Er is, met andere woorden, vaker sprake van voortschrijdend inzicht in de jurisprudentie (t.a.p., par. 4.3.2, p. 39).
  • Er was daarbij sprake van een vooringenomen houding jegens alle bij dat dossier betrokken ouders, waarbij zij als vermoedelijke fraudeurs werden behandeld en iedere geconstateerde tekortkoming of onjuistheid slechts kon dienen als bevestiging van dat vermoeden (t.a.p., p. 41).
  • Bij de rechterlijke beoordeling zal systematische, institutionele vooringenomenheid moeilijk zichtbaar worden. Beslissingen worden afzonderlijk aan de rechter voorgelegd en deze zal iedere zaak op zichzelf beoordelen. De rechter heeft in beroep en hoger beroep de besluitvorming van Toeslagen in hoge mate gebillijkt. Systematische en institutionele vooringenomenheid blijkt pas bij bestudering van meerdere zaken in onderlinge samenhang en van achterliggende werkinstructies en vergaderverslagen (t.a.p., p. 44).

En dus zou het rapport van de commissie zo kunnen beginnen:

Iemand moest kwaad van Josef K. hebben gesproken, want zonder dat hij iets slechts had gedaan moest hij op een ochtend zijn ontvangen kinderopvangtoeslag geheel terugbetalen.6

Tot zover. De vraag die mij vooral intrigeert is: waar de bureaucratie een dempend effect kan hebben op de politieke waan van de dag, lijkt diezelfde ambtenarij hier ‘los’ te gaan. Weliswaar zijn er binnen het CAF-team mensen die vinden dat het te bar wordt, maar dit heeft verder geen consequenties voor het hardvochtige beleid. Waar zijn het ‘In suaviter modo’ en het magistratelijk handelen of gewoon het alledaagse fatsoen gebleven? Heeft dit te maken met een overspannen taakbewustheid? Of met een overtrokken verlangen de politiek te behagen? Of – ik durf het bijna niet te zeggen – met het feit dat betrokkenen in dit dossier vaak een exotische achternaam hadden? Was het niet Bolkestein die zei: ‘One must never underestimate the degree of hatred that Dutch people feel for Moroccan and Turkish immigrants.’7

Met het prachtige boek van Jeroen Smit in de hand,8 is de vraag of bedrijven het beter dan overheden kunnen doen. In de Unilever traditie: ‘doing well by doing good’. Paul Polman zegt erover:9

‘In plaats van te bedenken hoe je de samenleving kan gebruiken om succesvol te zijn, moet je gaan nadenken over de vraag hoe je kan bijdragen aan een succesvolle samenleving.’

Oftewel: de hoeder van het algemeen belang – de overheid – is in staat tot kwade dingen en de exponent van het kwade eigen belang, het bedrijf, kan het goede doen. Het boek van Smit geeft indrukwekkend weer welke via dolorosa Polman heeft afgelegd. Hoe hij na de aanval op Unilever door Kraft, 3G Capital en Warren Buffett terug in de woestijn van aandeelhouderswaarde en kortetermijnkoersen is geworpen. Al eerder verwijst Smit naar de diepe levenswijsheid van bokser Mike Tyson: iedereen heeft een plan tot die op zijn bek wordt geslagen. Het driekoppig monster Kraft/3G Capital/Buffett was volgens de Engelsen, Polmans klap op zijn bek.

Filosoof René ten Bos gelooft dat Polman worstelt met ‘het probleem van de schone ziel’. Er bestaan geen schone zielen, volgens ten Bos; in deze toxische wereld is iedereen besmet.10 Polman zit klem. Zelfs het (PdH: al zeg ik het zelf) prachtige initiatief van Stichting Capabuild11 – het opleiden van belastingdiensten in ontwikkelingslanden – sneuvelt bij Polman op met name de hoogte van de bijdrage: € 25.000 per jaar (voor Unilever niet eens een afrondingsverschil, denk ik zo, zie t.a.p., p. 364). Het boek is zeker geen heiligenbeschrijving geworden, daarvoor is Polman ook net iets te werelds (lees: dominant, zelfvoldaan en eigenwijs). Smit is duidelijk in zijn missie: bedrijven moeten zich Unilever’s motto aantrekken – doing well by doing good – en het streven van Polman om het kapitalisme een nieuw, menselijk gezicht te geven, mag op zijn (en mijn) volle sympathie rekenen. President van de ECB, Christine Lagarde, haalt heden ten dage zelfs Franciscus van Assisi aan.12 De citaten kloppen meestal wel; het zijn de daden waar wij bedrijven op moeten beoordelen. Aan de vruchten herkennen wij de boom. En veel van die vruchten vertonen helaas indringende sporen van hebzucht, arglist en bedrog. De citaten, de protocollen, de codes, de marketing kloppen allemaal, maar de vraag is of kapitalisme met een menselijk gezicht überhaupt kan bestaan. Ik denk van wel, maar zonder regulering door of vanwege een overheid en toezicht door de maatschappij waarbinnen het bedrijf opereert, lukt het zeker niet. Bedrijven binnen een radicaal liberaal-kapitalistisch bestel hebben nu eenmaal een functionele neiging tot ontsporen.

Fiscalisten denken bij Unilever en Polman natuurlijk direct aan de mislukte poging om de dividendbelasting af te schaffen. Smits beschrijving leest als literaire non-fictie van hoog niveau. Bij de boekpresentatie een paar weken geleden maakt Hans de Boer (VNO-NCW – die het eerste exemplaar kreeg) zich nog kwaad. Toen Polman het besluit nam om het hoofdkantoor van Unilever niet te verplaatsen, gooide hij ons drietjes voor de bus, zo tandenknarste de Boer. Deze drie musketiers waren naast de Boer, CDA-voorman Buma en VVD-hopman Rutte. De afschaffing ging niet door, hoewel er inhoudelijk weinig in te brengen was tegen de verhuizing naar Rotterdam (‘Rotterdoom’ zeiden de Engelsen) en het afschaffen van een in Europees verband achterhaalde belasting. Het spel was langs alle kanten slecht gespeeld. (De arrogantie van Polman, het gesukkel van de VVD-bewindslieden, het gedraai van VNO-NCW, enz.) De vestigingsklimaatcoalitie bleef verdwaasd en verscheurd achter.

De fiscale historie is vol met waarschuwingen tegen de immense bemoei- en geldzucht van de staat. Professor Brüll had het zelfs over systeemmisdrijven die aan de staatskas ten goede zouden zijn gekomen. In het artikel Rondom Brüll13 komt de president van de Hoge Raad, Maarten Feteris, aan het woord die waarschuwt de rol van de rechter niet te overschatten. Een rechter moet gewoon de wetgevende symfonie dirigeren en mag er geen eigen stuk van maken. In de hiervoor aangehaalde passages uit het rapport komt dat pregnant naar voren: de Afdeling rechtspraak komt pas na verloop van (te veel?) tijd tot andere inzichten over de KOT.

Hoogleraar Van Overbeeke heeft als geen ander de morele zwakte van het belastingrecht blootgelegd. In zijn verbitterde afscheidscollege noemde hij het belastingrecht ‘van bovenaf opgelegd ambtenarenrecht’ nodig om de staatsmachine van geld te blijven voorzien met daarbij een monopolisering van het algemeen belang ter rechtvaardiging.14 Ik denk dat van Overbeeke en Brüll tot de meest radicale opponenten van ruim bemeten staatsbemoeienis behoorden, maar het belastingwereldje is altijd vol geweest van op dit punt kritische geesten. Tot vermoeiens toe blijf ik herhalen dat de Duitse filosoof Peter Sloterdijk niet de absolute waarheid in pacht heeft, maar een essentieel punt aanroerde in zijn essay over de gevende hand,15 te weten de fiscale ontsporingen van de moderne staat. En voor de Belastingdienst geldt wellicht het woord van diegene die als eerste omzag in verwondering en sprak van de zekerheid, ‘dat er achter iedere nederlaag een nieuwe mogelijkheid ligt’.16 Maar het begint allemaal met goede en verantwoorde wetgeving en uitvoering! De Australische figuur van de onafhankelijke inspecteur-generaal van belastingen zoals als eerste hier te lande bepleit door Frits Sobels zou steeds (dichter en) dichterbij moeten komen.17 Tot slot zou ik Kamerleden en wetgevingsambtenaren aanraden om de column van Peter Essers in WFR 2019/233 nauwgezet te lezen en zich te schamen.

Rubriek(en)
Toeslagen
Auteur(s)
Paul de Haan
De Haan advies
NLF-nummer
NLF Opinie 2019/51
Judoreg
NFB2894
Publicatiedatum
2 december 2019

X