Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(4)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(3)
  • Jurisprudentie(72)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(5)
  • Recent(3)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

X (belanghebbende) is auto-importeur en heeft procedures gevoerd met betrekking tot op aangifte voldane BPM. Naar aanleiding van deze voor hem succesvolle procedures zijn teruggaven van BPM verleend. Bij de kennisgeving van de Inspecteur met betrekking tot die teruggaven is telkens een te vergoeden bedrag aan heffings- of belastingrente vermeld. Tegen de hoogte van deze rentebedragen heeft X bezwaar gemaakt en beroep ingesteld bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Naar aanleiding van de beroepsgrond die ziet op de toegekende heffings- en belastingrente heeft de Rechtbank besloten om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad (21 januari 2021, 19/83 e.a., ECLI:NL:RBZWB:2021:260, NLF 2021/0261, met noot van Vetter).

A-G IJzerman geeft de Hoge Raad in overweging om deze (kort gezegd) als volgt te beantwoorden:

1. Tegen een schriftelijke uitlating van de Inspecteur aan een belanghebbende over (het bedrag van) de rentevergoeding die door de belastingrechter is vastgesteld, staat in beginsel geen bezwaar open omdat die uitlating geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb (vraag 1a).

Dat is slechts anders indien een dergelijke schriftelijke uitlating van de Inspecteur afwijkt van de beslissing van de rechter (vraag 1b, onderdeel ii).

Een daardoor benadeelde belanghebbende kan in bezwaar komen (vraag 1b, onderdeel i).

2. Een rechterlijke beslissing over de hoogte van de rentevergoeding en een door de Inspecteur genomen beschikking inzake die rentevergoeding bestaan in beginsel naast elkaar (vraag 2a). Of de hoogte van de rentevergoeding waartoe de rechter heeft beslist afwijkt van de hoogte de van de rentevergoeding op grond van de beschikking is niet relevant voor het antwoord op vraag 2a (vraag 2b).

3. Ter bepaling of in een fiscale procedure sprake is van een rechterlijke beslissing over een belastingrentevergoeding is van belang wat in het dictum van de uitspraak is opgenomen, in samenhang bezien met de in die uitspraak opgenomen rechtsoverwegingen.

4a. De in artikel 30hb AWR neergelegde rentevoet en de op grond van artikel 30ha AWR geldende enkelvoudige berekening van belastingrente, voldoen niet zonder meer aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.

4b. Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de uit de Nederlandse regelgeving in een bepaald geval volgende te vergoeden belastingrente, lager is dan de rente die een belastingplichtige verschuldigd zou zijn om diezelfde bedragen te lenen.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Autobelastingen
Belastingtijdvak
2018
Instantie
A-G
Datum instantie
13 september 2021
Rolnummer
21/00331
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:822
Auteur(s)
Jacques Raaijmakers
Raaijmakers Belastingadvies en Educatie
NLF-nummer
NLF 2021/1924
Aflevering
14 oktober 2021
Judoreg
NFB4581
bwbr0002320&artikel=30ha,bwbr0002320&artikel=30hb,bwbr0005537&artikel=1:3,bwbr0004770&artikel=28c

X