Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Begin april 2020 is het jaarverslag 2019 van de Hoge Raad verschenen. Met dit jaarverslag leggen de Hoge Raad en het parket bij de Hoge Raad publiekelijk verantwoording af over de verrichte werkzaamheden en de middelen die daarvoor zijn ingezet in het jaar 2019. Het jaarverslag laat zich prima lezen en is zeker de moeite waard om in zijn geheel te lezen, want het geeft een mooie inkijk in de taken en het werk van de Hoge Raad. Het jaarverslag is te vinden op https://2019.jaarverslaghogeraad.nl/. In het jaarverslag wordt onder andere ingegaan op een aantal fiscale zaken waarin rechtsvragen speelden met grote maatschappelijke betekenis. Het ‘fiscale deel’ uit het jaarverslag is hieronder weergegeven.

De belastingkamer van de Hoge Raad

De belastingkamer van de Hoge Raad behandelt overwegend belastingzaken. Het betreft hier zowel belastingen en heffingen van de rijksoverheid als van lagere overheden, zoals provincies, gemeenten en waterschappen. Daarnaast behandelt de belastingkamer cassatieberoepen tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en van het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Bij de laatstbedoelde beroepen beperkt de toetsing door de Hoge Raad zich tot de toepassing van elementen van sociale zekerheids- of subsidieregelingen die verband houden met fiscale regels en begrippen. Tot de taak van de belastingkamer behoort verder de behandeling van cassatieberoepen tegen uitspraken van de douanekamer van Hof Amsterdam.

In 2019 behandelde fiscale zaken

De totale instroom van fiscale zaken was in 2019 1.026 (2018: 924). De uitstroom uitspraken bedroeg in 2019 773 (2018: 724). In 129 zaken verscheen ook een conclusie. Dat waren er 134 in 2018.

Van de 773 uitspraken in 2019 werden 355 zaken inhoudelijk afgedaan (2018: 272) dat is 46%, 148 zaken met een artikel 80a Wet RO-afdoening (2018: 131) en 270 zaken met artikel 81 Wet RO (2018: 321).

Van het totaal aantal uitspraken in 2019 (773) werd in 378 zaken het cassatieberoep ongegrond verklaard, 63 zaken werden vernietigd en verwezen (of teruggewezen) naar een Hof of Rechtbank en 58 zaken vernietigd en door de Hoge Raad zelf afgedaan. Op het totaal van het aantal zaken is 15,7% vernietigd.

Selectie arresten

De Hoge Raad heeft zich in 2019 gebogen over een groot aantal zaken waarin rechtsvragen speelden met grote maatschappelijke betekenis. Per rechtsgebied worden enkele arresten belicht die in 2019 van groot belang zijn geweest voor de rechtsontwikkeling. Deze arresten zijn in het jaarverslag wat meer in beschouwende en bespiegelende zin beschreven. Waarom is dit arrest van belang geweest voor de rechtsontwikkeling en wat betekent dit en welke juridische en maatschappelijke ontwikkelingen speelden op de achtergrond?

De Hoge Raad besteedt in het jaarverslag aandacht aan de volgende drie arresten:

  • bijzondere ziektekosten – cannabis;
  • forfaitair rendement box 3;
  • Tipgevers-zaak.
Bijzondere ziektekosten – cannabis

De belastingplichtige in een zaak die cannabis in eigen beheer kweekte en over een doktersvoorschrift beschikte, kan de kosten van die kweek als zorgkosten in aftrek brengen. Dat oordeelde de Hoge Raad in een arrest van 4 oktober 2019.1 Het ging in deze zaak om een belastingplichtige die lijdt aan de ziekte van Crohn. Zij had onvoldoende baat bij reguliere geneesmiddelen. Artsen schreven haar het gebruik van cannabis voor. De bij de apotheek verkrijgbare cannabis had volgens de artsen bij deze belastingplichtige echter niet de gewenste werking. Zij had vervolgens zelf cannabis gekweekt. De kosten voor deze zelfkweek en voor de aankoop van cannabis en cannabisolie wilde zij voor de inkomstenbelasting als kosten van farmaceutische hulpmiddelen in aftrek brengen. In cassatie was onder meer de vraag aan de orde of het hier gaat om een middel dat is verstrekt op voorschrift van een arts.

De Hoge Raad oordeelde dat de voorwaarde dat het moet gaan om farmaceutische hulpmiddelen die zijn verstrekt op voorschrift van een arts geen verdergaande betekenis heeft dan dat het middel door een arts moet zijn voorgeschreven. In deze zaak was de cannabis daadwerkelijk als farmaceutisch hulpmiddel voorgeschreven door een arts, die vond dat via de apotheek verkrijgbare cannabis voor deze belastingplichtige niet de gewenste werking had.

In de zaak was verder aan de orde of de aftrek ook geldt voor bij coffeeshops gekochte cannabis(olie). Deze kosten zijn niet aftrekbaar. Hof Amsterdam2 had vastgesteld dat het voorschrift van de arts alleen betrekking had op zelfgekweekte cannabis en niet op bij coffeeshops gekochte cannabis(olie). De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof op dit punt in stand gelaten.

Forfaitair rendement box 3

In zeven arresten van 14 juni 20193 sprak de Hoge Raad zich uit over de vraag of de vermogensrendementsheffing over 2013 en 2014 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (EP) en de fundamentele vrijheden. In een aantal van die zaken is de zogenoemde massaalbezwaarprocedure gevolgd.

De regeling van de vermogensrendementsheffing in de Wet IB 2001 (box 3, inkomen uit sparen en beleggen) gaat uit van een forfaitair rendementspercentage van 4%. De regeling gaat er zonder meer van uit dat de belastingplichtige 4% rendement maakt op zijn spaartegoeden en beleggingen. De wetgever heeft ervoor gekozen het rendementspercentage niet afhankelijk te maken van het werkelijke rendement. Tegenbewijs is ook niet mogelijk. Over dit gefingeerde rendement wordt 30% belasting geheven.

Artikel 1 EP waarborgt het ongestoorde genot van eigendom. Het heffen van belasting is een inmenging in dat ongestoorde genot, maar die inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd. Die inmenging moet volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wel aan een aantal eisen voldoen. Een van die eisen is dat de inmenging een fair evenwicht respecteert tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang.

In de arresten van 14 juni 2019 zag de Hoge Raad geen aanknopingspunten om te oordelen dat de forfaitaire regeling van box 3 als zodanig niet aan deze eisen voldoet. Wel kan het stelsel van de vermogensrendementsheffing voor een bepaald jaar in strijd komen met artikel 1 EP. Dat komt aan de orde als:

  1. het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is; en
  2. belastingplichtigen door deze heffing, mede gelet op het toepasselijke tarief, op stelselniveau worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.

Wat betreft het eerste punt heeft de Hoge Raad al eerder geoordeeld dat de wetgever met de regeling van box 3 aansluiting heeft gezocht bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, over een langere periode bezien, gemiddeld moeten kunnen maken zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. Verder oordeelde de Hoge Raad op 14 juni 2019, op basis van de wetsgeschiedenis en het systeem van de wet, dat in dit verband moet worden gekeken naar het te behalen nominale rendement. Een aanknopingspunt voor de beoordeling of de belastingplichtige met een spaartegoed of belegging niet (veel) risico hoeft te nemen, is of hij in beginsel voor de nominale waarde gerechtigd blijft tot een te investeren bedrag. Dan gaat het om spaarrekeningen en (termijn)deposito’s bij banken als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht. Gemiddelde rendementen van beleggingen in aandelen en onroerende zaken blijven daarom buiten beschouwing; daarmee wordt wel risico gelopen. Uit de stukken in deze zaken blijkt dat het veronderstelde rendement van 4% gemiddeld vanaf 2009 niet meer haalbaar was op Nederlandse staatsobligaties, vanaf 2001 op spaarrekeningen en vanaf 2010 op (termijn)deposito’s. De procedures bij de Hoge Raad gingen over de jaren 2013 en 2014. Dat het zonder veel risico te behalen rendement toen onder de 4% lag, was niet meer als een incidentele afwijking te beschouwen.

Daarmee is aan de orde het tweede punt, namelijk of belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, in 2013 en 2014 op stelselniveau worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Met inachtneming van een ruime beoordelingsbevoegdheid voor de wetgever oordeelde de Hoge Raad dat daarvan sprake is indien de belastingdruk in box 3 voor 2013 of 2014 hoger is dan het gemiddeld zonder (veel) risico’s haalbare rendement. Als die situatie zich voordoet worden belastingplichtigen op stelselniveau geconfronteerd met een buitensporig zware last die zich niet verdraagt met het door artikel 1 EP beschermde recht op ongestoord genot van eigendom. Gelet op het toepasselijke tarief van 30% betekent dit dat op stelselniveau een schending van artikel 1 EP plaatsvindt als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2%.

Voor de gevolgen van een dergelijke stelselmatige schending van het recht op ongestoord genot van eigendom kan de Hoge Raad in beginsel echter geen oplossing bieden. Voor een oplossing moeten op stelselniveau keuzes worden gemaakt die niet voldoende duidelijk uit het systeem van de wet zijn af te leiden. In de verhouding tot de wetgever past de rechter dan terughoudendheid bij het voorzien van een oplossing op stelselniveau.

Voor ingrijpen van de rechter is wel plaats indien een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last wegens de gevolgen van de heffing van box 3 in samenhang met zijn of haar gehele financiële situatie. Die individuele toets viel echter buiten het bereik van deze procedures.

Tipgevers-zaak

De Hoge Raad moest in 2019 voor de tweede keer in cassatie oordelen in de zogenoemde Tipgevers-zaak.4 Deze zaak gaat over het volgende. De Belastingdienst had van een tipgever documenten op een fiche verkregen met informatie over Luxemburgse bankrekeningen van Nederlanders. De tipgever ontving daarvoor een beloning. De Belastingdienst heeft vervolgens personen die op dit fiche waren vermeld voor zoveel als mogelijk geïdentificeerd, hen gevraagd om informatie en hen uiteindelijk navorderingsaanslagen opgelegd. De Belastingdienst heeft altijd geweigerd de naam van de tipgever en details van de afspraken die met hem zijn gemaakt, bekend te maken.

Uit de eerste door de Hoge Raad berechte zaak5 blijkt onder meer dat de enkele omstandigheid dat de Inspecteur niet heeft voldaan aan zijn verplichting de naam van de tipgever te verstrekken niet als zodanig leidt tot vernietiging van de navorderingsaanslagen. Alle omstandigheden van het geval moeten in aanmerking worden genomen, waaronder het belang van die naam voor de waarheidsvinding. Ook vond de Hoge Raad dat niet goed was gemotiveerd waarom de onzekerheid over de betrouwbaarheid van de tipgever zonder meer tot vernietiging van die aanslagen zou moeten leiden en dat onvoldoende aanleiding bestond om de betrouwbaarheid van het materiaal waarop die aanslagen waren gebaseerd nader te onderzoeken. De zaak werd verwezen naar Hof Den Bosch om opnieuw te worden behandeld en berecht.

Dat Hof vond het bewijsmateriaal wel betrouwbaar maar oordeelde dat dit bewijsmateriaal als gevolg van de handelwijze van de Inspecteur van gebruik moest worden uitgesloten. Het Hof vond hierbij van belang of de tipgever het materiaal (op het fiche) op strafbare wijze in bezit had verkregen en zo ja, welk strafbaar feit dit opleverde. De staatssecretaris van Financiën stelde tegen deze uitspraak beroep in cassatie in.

De Hoge Raad oordeelde dat de belastingrechter zelfstandig moet beoordelen of het bewijsmateriaal bruikbaar is. Daarvoor is niet leidend wat in een eventuele strafzaak zou worden geoordeeld. Voor een oordeel over de bruikbaarheid van het door de tipgever overhandigde materiaal is geen onderzoek nodig naar de aard of de ernst van strafbaar handelen waardoor de tipgever het materiaal in handen heeft gekregen. Omdat Hof den Bosch dat wel had gedaan werd de uitspraak van dat Hof vernietigd. De zaak moet verder worden behandeld door Hof Amsterdam.

Rubriek(en)
Overig
Auteur(s)
Felix Peppelenbosch
NLFiscaal
NLF-nummer
NLF Opinie 2020/10
Judoreg
NFB3185
Publicatiedatum
15 april 2020

X