Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

Het Hof heeft aan een man een integrale proceskostenvergoeding van 9.465 euro toegekend voor de in de bezwaarfase gemaakte kosten. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de (navorderings)aanslag zonder afdoende rechtvaardiging versneld is opgelegd en terstond tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard, dat de inspecteur onvoldoende voortvarend te werk is gegaan om het voor de onderbouwing van de navorderingsaanslag vereiste bewijs te verkrijgen, dat de procedure voor het Hof niet zou zijn gevoerd indien de inspecteur voor het opleggen van de navorderingsaanslag in contact was getreden met de man en voorts dat de inspecteur zich onvoldoende moeite heeft getroost om de bij de man ontstane indruk van oneigenlijk handelen door de inspecteur weg te nemen.
Tegen dit oordeel heeft de Staatssecretaris cassatieberoep ingesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld en dat dit grond oplevert om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit aanwezig te achten. Dit oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is volgens de Hoge Raad ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Het is volgens de Hoge Raad evenmin onbegrijpelijk dat het Hof artikel 2, lid 3, van het Besluit ook van toepassing heeft geacht op de kosten die de man in beroep en in hoger beroep heeft gemaakt om een integrale vergoeding van de kosten van het bezwaar te verkrijgen, aldus de Hoge Raad. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.

Metadata

Belastingtijdvak
2002
Instantie
HR
Datum instantie
4 februari 2011
Rolnummer
09.02123
ECLI
ECLI:NL:HR:2011:BP2975
bwbid=bwbr0&artikel=2

Naar de bovenkant van de pagina