Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

Een vrijwillige ambtenaar van politie kreeg in 1999 een vergoeding van fl. 7,50 per uur. Daarvan werd fl. 5 als kostenvergoeding aangemerkt en fl. 2,50 als loon. Volgens de vrijwilliger was er geen sprake van loon omdat de vergoeding van fl. 7,50 voor hem niet kostendekkend was. Volgens het Hof was er echter wel degelijk sprake van loon uit dienstbetrekking omdat hij in een publiekrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was. In cassatie beslist de Hoge Raad dat het Hof het bestaan van een bron van inkomen niet alleen had mogen aannemen vanwege het feit dat er sprake was van een publiekrechtelijke dienstbetrekking. Nu de vrijwilliger had gesteld dat hij met het bedrag van fl. 7,50 niet uitkwam, had het Hof moeten onderzoeken of de activiteiten van de vrijwilliger voorzienbaar blijvend verliesgevend zouden zijn of dat hij er uiteindelijk iets aan zou overhouden. Deze toets moet ook worden aangelegd als de activiteiten een netto voordeel opleveren. In dat geval is het voordeel aan inkomstenbelasting onderworpen. De zaak is verwezen.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
1999
Instantie
HR
Datum instantie
14 oktober 2005
Rolnummer
40.244
ECLI
ECLI:NL:HR:2005:AR6821
bwbid=bwbr0&artikel=1,bwbid=bwbr0&artikel=2,bwbid=bwbr0&artikel=2

Naar de bovenkant van de pagina