Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

X (bv; belanghebbende) is een internationale onderneming actief in de veredeling, productie, bewerking, marketing en verkoop van groentezaden.

Aan X zijn met dagtekening 16 mei 2018 en 13 juli 2018 twee utb’s (douanerechten en rente op achterstallen) uitgereikt. De utb’s zijn in uitspraken van Rechtbank Noord-Holland voor zover het de douanerechten betreft in stand gebleven (ECLI:NL:RBNHO:2022:4260, NLF 2022/1079 en ECLI:NL:RBNHO:2022:4261, NLF 2022/1080). De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat X meer goederen onder de regeling AV (vergunning actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem) heeft gebracht dan volgens de aan X verleende vergunning is toegestaan en dat voor de overschrijdingen een douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 204, lid 1, CDW onderscheidenlijk artikel 79, lid 1, onderdeel c, DWU.

In deze procedure is in geschil of de voorwaarden voor een terugbetaling op grond van artikel 239 CDW onderscheidenlijk artikel 120 DWU zijn vervuld.

Zoals dat blijkt uit voornoemde uitspraken, is het naar het oordeel van Rechtbank Noord-Holland voldoende duidelijk dat de hoeveelheid van 120.000 kilogram de volledige toegestane hoeveelheid is voor de geldigheidsduur van de vergunning en dat deze hoeveelheid niet, zoals X stelt, de jaarlijks toegestane hoeveelheid is. De Rechtbank heeft geoordeeld dat X de voorwaarden van de vergunning heeft geschonden. Er is daarom sprake van klaarblijkelijke casu quo kennelijke nalatigheid aan de zijde van X. Nu het gaat om cumulatieve voorwaarden en X niet voldoet aan de eerste voorwaarde kan in het midden blijven of sprake is geweest van bijzondere omstandigheden (de tweede voorwaarde). De Inspecteur heeft het verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 CDW onderscheidenlijk artikel 120 DWU terecht afgewezen.

Rubriek(en)
Douane
Belastingtijdvak
21 september 2015 t/m 16 oktober 2018
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum instantie
4 mei 2022
Rolnummer
20/2949
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2022:4263
NLF-nummer
NLF 2022/1082
Aflevering
2 juni 2022

X