Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

X (belanghebbende) heeft in 2003 een ontslagvergoeding ondergebracht bij zijn vennootschap (hierna: A) en heeft daarvoor een stamrechtovereenkomst met A gesloten.

In deze procedure is in de eerste plaats in geschil of het stamrecht terecht in de heffing is betrokken (IB/PVV 2013).

Dat is volgens Rechtbank Gelderland het geval. X had een schuld aan A. In 2013 werd duidelijk dat X de schuld niet zou kunnen aflossen. Daarom is dat jaar de lening voorwerp van zekerheid geworden en vindt heffing over dat jaar plaats. In 2013 had A zich op de lening moeten verhalen. Gezien het saldo was er sprake van onderdekking en kon het stamrecht (inclusief revisierente) niet in 2013 worden afgewikkeld. Dit leidt ertoe dat het stamrecht in 2013 geacht moet worden te zijn afgekocht ten gevolge waarvan op de voet van artikel 19b, lid 1, aanhef en onderdeel b, en lid 8, Wet LB 1964, het loonstamrecht in 2013 wordt aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van X, als stamrechtgerechtigde.

Uit de behandeling van de aangifte vpb 2014 kan voorts geen vertrouwen worden gewekt voor de afhandeling van het stamrecht in de aangifte IB/PVV 2013.

De Rechtbank beslist verder dat in de jaren 2013 tot en met 2017 ter zake van activiteiten voor een softwareprogramma bij X geen sprake is van een bron van inkomen. De Rechtbank komt dan niet meer toe aan de behandeling van de andere geschilpunten, te weten de activering van een huurrecht en het recht op zelfstandigen- en startersaftrek. Het beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2013-2017
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum instantie
31 maart 2022
Rolnummer
20/3004; 21/2209; 21/2210; 21/2211; 21/2212
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2022:1607
NLF-nummer
NLF 2022/1150
Aflevering
16 juni 2022

X