Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

W (naamloze vennootschap, Duitsland) houdt zich bezig met de handel in effecten. Zij heeft in augustus 2004 een filiaal in het Verenigd Koninkrijk (VK) geopend. Aangezien dit filiaal geen winst had gemaakt, heeft W het in het eerste semester van 2007 gesloten, zodat de verliezen van die inrichting niet voor fiscale doeleinden konden worden overgedragen in het VK.
W meent dat de door het filiaal geleden verliezen ‘vanwege het Unierecht’ bij de vaststelling van haar belastbaar inkomen in Duitsland voor het belastingjaar 2007 in aanmerking moeten worden genomen als definitieve verliezen, ook al zijn deze inkomsten krachtens het Verdrag Duitsland-VK vrijgesteld van belasting in Duitsland. De Duitse belastingdienst is het hiermee niet eens.
In het kader van een geding hierover heeft het Bundesfinanzhof aan het HvJ prejudiciële vragen gesteld.
Het HvJ verklaart in antwoord op de eerste vraag voor recht dat artikel 49 en 54 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een belastingregeling van een lidstaat op grond waarvan een aldaar ingezeten vennootschap de definitieve verliezen van haar in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting niet van haar belastbare winst mag aftrekken wanneer de lidstaat van vestiging op grond van een dubbelbelastingverdrag afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid om belasting te heffen over de resultaten van die vaste inrichting.
Conform conclusie A-G Collins, ECLI:EU:C:2022:184.

Metadata

Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Belastingtijdvak
2007
Instantie
HvJ
Datum instantie
22 september 2022
Rolnummer
C‑538/20
ECLI
ECLI:EU:C:2022:717
bwbv0001506&artikel=49,bwbv0001506&artikel=54

Naar de bovenkant van de pagina