Direct naar content gaan

Samenvatting

X (belanghebbende) bezat vanaf 1997 twee panden die waren samengevoegd en tot 2002 zakelijk werden gebruikt als kantoor door de onderneming gedreven door de bv waarvan X dga was.

Van 2004 tot en met september 2012 heeft X het samengevoegde pand verhuurd aan een stichting. Deze verhuur was vrijgesteld van omzetbelasting.

Na splitsing van de oorspronkelijke kavels is op het achterste gedeelte van de kavels door een bouwbedrijf een twee-onder-een-kapwoning gerealiseerd. De woning is begin 2019 verkocht aan een particulier.

De Inspecteur stelt dat X voor de levering van de woning belastingplichtig is voor de omzetbelasting, omdat hij bij deze levering heeft gehandeld als ondernemer. Hij heeft omzetbelasting nageheven.

X heeft beroep ingesteld.

Niet in geschil is dat X van 2004 tot en met september 2012 ondernemer was voor de omzetbelasting, vanwege de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (de verhuur van het kantoorpand). Naar het oordeel van Rechtbank Gelderland is het ondernemerschap op grond van artikel 7, lid 2, onderdeel b, Wet OB 1968 geëindigd door opzegging van de huur door de huurder en de beslissing van X om geen nieuwe huurder meer te gaan zoeken in de toen lastige markt.

De Rechtbank oordeelt dat X met betrekking tot de ontwikkeling van de nieuw te bouwen twee-onder-een-kapwoning niet kwalificeert als ondernemer. Het ondernemen van actieve stappen en het inzetten van middelen is in casu niet door of namens X gebeurd, maar door het bouwbedrijf voor zichzelf. De naheffingsaanslag is daarom ten onrechte opgelegd.

Metadata

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2018
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum instantie
29 augustus 2022
Rolnummer
20/5271
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2022:5070
NLF-nummer
NLF 2022/1770
Aflevering
15 september 2022
bwbr0002629&artikel=7&lid=2,bwbr0002629&artikel=7&lid=2

Naar de bovenkant van de pagina