Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(17)
  • Jurisprudentie(94)
  • Commentaar NLFiscaal(20)
  • Literatuur(42)
  • Recent(11)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

X (belanghebbende) heeft in 2014 aandelen en opties uitgereikt gekregen in de Japanse vennootschap A. Het gaat om een aandelenbelang van 8,5% en opties die recht gaven op een aandelenbelang van 5%. In november 2015 heeft X een deel van de opties prijsgegeven, waarna de resterende opties recht gaven op een aandelenbelang van 2,34%.

Als gevolg van een beursgang van A op 22 maart 2017 is het aandelenbelang van X verwaterd tot 2,28% en gaven de opties recht op een aandelenbelang van 1,58%. Na de beursgang heeft X alle opties uitgeoefend en in fases het aandelenbelang in A verkocht.

Op de resultaten behaald met de verkoop van het belang in A heeft X in haar aangifte vpb 2017 de deelnemingsvrijstelling toegepast op grond van artikel 13, lid 16, Wet VpB 1969 (deelnemingsvrijstelling voor aflopende deelnemingen).

De Inspecteur is afgeweken van de aangifte. Hij stelt dat de deelnemingsvrijstelling voor aflopende deelnemingen wel van toepassing is op aandelen, maar niet op opties. X heeft beroep ingesteld.

Rechtbank Gelderland verwerpt het standpunt van X dat de resultaten behaald met de uitoefening van opties na 22 maart 2017 op grond van artikel 13, lid 16, Wet VpB 1969 onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Uit deze bepaling volgt dat slechts dan sprake is van een zogenoemde aflopende deelneming indien het belang vóór het moment dat de omvang van het belang niet meer voldoet aan de voorwaarde van ten minste 5% kwalificeerde als deelneming. Blijkens het bepaalde in artikel 13, lid 2, Wet VpB 1969 kwalificeert een optie niet als zodanig. Nog daargelaten de omstandigheid dat het belang van X op 22 maart 2017 in A minder bedraagt dan 5%, faalt reeds hierom deze beroepsgrond. Het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 (18/04686, ECLI:NL:HR:2020:1738, NLF 2020/2497, met noot van Van den Brekel) leidt niet tot een ander oordeel. Ook het beroep op gewekt vertrouwen slaagt niet.

Het beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2017
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum instantie
6 mei 2022
Rolnummer
21/5600
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2022:2288
Auteur(s)
Corina van Lindonk
Deloitte
NLF-nummer
NLF 2022/1241
Aflevering
30 juni 2022
Judoreg
NFB5095
bwbr0002672&artikel=13,bwbr0002672&artikel=13

X