Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(13)
  • Jurisprudentie(191)
  • Commentaar NLFiscaal(4)
  • Literatuur(41)
  • Recent(66)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

X en Y (belanghebbenden) zijn gehuwd en hebben in de aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 geen inkomsten uit (vroegere) arbeid aangegeven (en genoten). Zij beschikken over een eigen woning zonder hypotheekschuld. De bestanddelen van de grondslag sparen en beleggen bestaan uit betaal- en spaartegoeden van resp. € 1.293.236, € 1.275.183 en € 1.238.722. De ontvangen rente over de bank- en spaartegoeden bedraagt in voornoemde jaren resp. € 12.577, € 5.541 en € 5.182.

In deze zaak is de vraag aan de orde of de box 3-heffing voor alle jaren in strijd is met artikel 1 EP.

De vraag of de box 3-heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP valt onder de voorwaarden voor de aanwijzing massaal bezwaar. Rechtbank Zeeland-West-Brabant toetst alleen of de box 3-heffing leidt tot een individuele en buitensporige last voor belanghebbenden.

De totale omvang van de gezamenlijk door beide belanghebbenden verschuldigde box 3-heffing over het vermogen (2017: € 16.378, 2018: € 14.786 en 2019: € 14.786) is hoger dan de daadwerkelijk door hen in de betreffende jaren ontvangen rente. Deze rente is ook de enige inkomenspost voor belanghebbenden.

De Rechtbank komt voor alle jaren tot het oordeel dat sprake is van een individuele en buitensporige last. X en Y hebben voor alle jaren moeten interen op het vermogen om de belasting te voldoen. Voor het jaar 2017 is de uiteindelijk verschuldigde belasting weliswaar lager dan de ontvangen rente, maar daarbij speelt toepassing van de algemene heffingskorting een belangrijke rol. De Rechtbank acht het in dit verband niet aangewezen om op grond van toepassing van die faciliteit te concluderen dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last.

De Rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de Inspecteur dat ook met potentiële (stamrecht)uitkeringen van een bv rekening moet worden gehouden voor de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last. Er kan geen rekening gehouden worden met iets wat zich niet heeft voorgedaan. De Rechtbank biedt schattenderwijs rechtsherstel, waarbij de box 3-heffing beter aansluit op de werkelijk ontvangen rente.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2017-2019
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum instantie
11 oktober 2021
Rolnummer
19/878; 19/879; 20/1066; 20/1069; 20/9330; 20/9331
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:5149
Auteur(s)
Sonja Dusarduijn
Tilburg University
NLF-nummer
NLF 2021/2072
Aflevering
4 november 2021
Judoreg
NFB4623
bwbr0011353&artikel=5.2,bwbv0001001&artikel=1,bwbr0005537&artikel=8:72&lid=3

X