Direct naar content gaan

Samenvatting

Op 1 augustus 2016 heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant aan de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld over de volgende zaak.

X is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Het is een zogenoemde icbe, een instelling voor collectieve belegging in effecten (vgl. Richtlijn 2009/65). De activiteiten van X bestaan in het beleggen van het fondsvermogen. X heeft onder meer belegd in aandelen van vennootschappen die in Nederland zijn gevestigd.

Niet in geschil is dat de door X aan haar participanten ter beschikking gestelde winsten niet aan dividendbelasting zijn onderworpen, noch dat Nederland heffingsrecht over de inkomsten van de in het buitenland wonende aandeelhouders van X heeft. Hierdoor kan X objectief niet worden gelijkgesteld met een in Nederland gevestigde fbi waarvan de uitgekeerde winsten wel onderworpen zijn aan dividendbelasting.

Hoewel de Rechtbank meent dat X op grond van HR 10 juli 2015 (14/03956, ECLI:NL:HR:2015:1777) geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, is de Rechtbank van oordeel dat aan de juistheid van de door de Hoge Raad in dat arrest geformuleerde vergelijkingsmaatstaf kan worden getwijfeld. De twijfel van de Rechtbank wordt gevoed door het arrest van het HvJ van 17 september 2015 (gevoegde zaken C-10/14 (Miljoen), C-14/14 (X) en C-17/14 (Société Générale), ECLI:EU:C:2015:608). De Rechtbank heeft bij haar beslissing tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorts in aanmerking genomen dat zij op 15 juli 2016 circa 1500 dividendbelastingzaken ter behandeling had waarin, onder meer, soortgelijke kwesties aan de orde zijn als die in de onderhavige zaak. Bovendien is, aldus de Rechtbank, uit informatie van de Belastingdienst naar voren gekomen dat naar verwachting nog enkele duizenden van dergelijke zaken bij de Rechtbank aanhangig zullen worden gemaakt. Gelet op het grote aantal zaken dat aanhangig is of dat mogelijk nog aanhangig wordt gemaakt, acht de Rechtbank het van belang om in een zo vroeg mogelijk stadium duidelijkheid te krijgen over de voorliggende kwestie.

De Hoge Raad houdt de zaak aan en heeft de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ voorgelegd:

  1. ‘Verzet artikel 56 EG (thans artikel 63 VWEU) zich ertegen dat aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds, op de grond dat het niet inhoudingsplichtig is voor de Nederlandse dividendbelasting, geen teruggaaf wordt verleend van Nederlandse dividendbelasting die is ingehouden op dividenden die het heeft ontvangen van in Nederland gevestigde lichamen, terwijl een dergelijke teruggaaf wel wordt verleend aan een in Nederland gevestigde fiscale beleggingsinstelling die haar beleggingsresultaat jaarlijks onder inhouding van Nederlandse dividendbelasting uitdeelt aan haar aandeelhouders of participanten?
  2. Verzet artikel 56 EG (thans artikel 63 VWEU) zich ertegen dat aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds, op de grond dat het niet aannemelijk maakt dat zijn aandeelhouders of participanten voldoen aan de in de Nederlandse regelgeving omschreven voorwaarden, geen teruggaaf wordt verleend van Nederlandse dividendbelasting die is ingehouden op dividenden die het heeft ontvangen van in Nederland gevestigde lichamen?
  3. Verzet artikel 56 EG (thans artikel 63 VWEU) zich ertegen dat aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds, op de grond dat het zijn beleggingsresultaat niet jaarlijks uiterlijk in de achtste maand na afloop van het boekjaar volledig uitkeert aan zijn aandeelhouders of participanten, geen teruggaaf wordt verleend van Nederlandse dividendbelasting die is ingehouden op dividenden die het heeft ontvangen van in Nederland gevestigde lichamen, ook indien in zijn land van vestiging op grond van de aldaar van kracht zijnde wettelijke regelingen zijn beleggingsresultaat voor zover niet uitgekeerd a. geacht wordt te zijn uitgekeerd, en/of b. bij de aandeelhouders of participanten in de belastingheffing van dat land wordt betrokken als ware die winst uitgekeerd, terwijl een dergelijke teruggaaf wel wordt verleend aan een in Nederland gevestigde fiscale beleggingsinstelling die haar beleggingsresultaat jaarlijks onder inhouding van Nederlandse dividendbelasting volledig uitkeert aan haar aandeelhouders of participanten?’

 

Conform Conclusie A-G Wattel.

Prejudiciële vragen in twee zaken

De Hoge Raad verwijst twee kwesties over de teruggaaf van dividendbelasting aan buitenlandse beleggingsinstellingen door naar het HvJ. De Hoge Raad volgt daarmee A-G Wattel. Het betreft twee zaken, de onderhavige en de zaak met nummer 16/03955, die ik gezamenlijk behandel. In beide kwesties betreft het een dividenduitdeling door een in Nederland gevestigde vennootschap aan een in een andere EU-lidstaat gevestigd beleggingsfonds; namelijk een in Duitsland gevestigd Sondervermögen respectievelijk een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd open end-beleggingsfonds met variabel kapitaal. Op de dividenduitkering werd dividendbelasting ingehouden. Het buitenlandse fonds kon echter geen aanspraak maken op neutralisatie van de Nederlandse dividendbelasting. Een binnenlandse beleggingsinstelling zou de te harer laste ingehouden dividendbelasting echter wel hebben kunnen neutraliseren door middel van de afdrachtvermindering; de in eerste instantie ingehouden dividendbelasting kon in mindering worden gebracht op de verschuldigde dividendbelasting op het moment van dooruitdeling, binnen acht maanden, van het dividend aan de achterliggende participanten. Deze neutralisatiemogelijkheid naar Nederlands recht staat uiteraard niet open voor niet in Nederland gevestigde beleggingsinstellingen.

SICAV-arrest

Metadata

Rubriek(en)
Dividendbelasting
Belastingtijdvak
2002-2008
Instantie
HR
Datum instantie
3 maart 2017
Rolnummer
16/03954
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:342
Auteur(s)
Jasper Korving
Deloitte / Maastricht University
NLF-nummer
NLF 2017/0561
Aflevering
16 maart 2017
Judoreg
NFB363
bwbr0002320&artikel=27ga&lid=1,bwbr0002672&artikel=13&lid=8,bwbr0002672&artikel=28&lid=2,bwbr-vweu &&artikel=63

Naar de bovenkant van de pagina