Direct naar content gaan

Gerelateerde content

  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Samenvatting

Aan X (belanghebbende) is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1921/1922 opgelegd. Hiertegen heeft X bij de Raad van Beroep verschillende bezwaren aangevoerd, waarvan thans van belang is dat er geen grond tot navordering zou bestaan. Er is geen sprake van een nieuw feit, maar met een andere wijze van opvatting of een ambtelijk verzuim. Voor het opleggen van de oorspronkelijke aanslag is aan de Inspecteur immers de balans van de firma A overgelegd. Daaruit was te zien dat in tegenstelling tot 1919 vanaf 1920 een zeer groot aandelenbezit in de firma A aan X toebehoorde. De Raad van Beroep heeft de navorderingsaanslag echter in stand gelaten; er is geen sprake van een ambtelijk verzuim.
Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond.
Met de overgelegde cijfers had het de Inspecteur duidelijk kunnen zijn dat de aangifte niet juist was. Hij heeft hiernaar vervolgens wel een onderzoek ingesteld, maar hij had met het opleggen van een aanslag moeten wachten tot dit onderzoek was afgerond. Door dit niet te doen is er sprake van een ambtelijk verzuim. De zaak is verwezen.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
1921-1922
Instantie
Hoge Raad
Datum instantie
18 november 1925
Rolnummer
2.123
ECLI
ECLI:NL:HR:1925:373

Naar de bovenkant van de pagina