Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

X (belanghebbende; rechtsopvolger van bedrijf 1) is een in Duitsland gevestigde levensverzekeringsmaatschappij. X belegde via een of meer Spezial Sondervermögen in aandelen in in Nederland gevestigde vennootschappen. Op de door die vennootschappen uitgekeerde dividenden is – per saldo – 15 procent Nederlandse dividendbelasting ingehouden.

In de onderhavige jaren was X wettelijk verplicht om ten minste 90 procent van de door haar behaalde winst ten gunste van haar polishouders te laten komen (door teruggaaf dan wel verlaging van de premies).

In geschil is of X recht heeft op teruggaaf van de dividendbelasting.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant overweegt dat de opvatting van X dat Nederland teruggaaf van dividendbelasting moet geven omdat andere lidstaten van de Europese Unie dat ook doen, geen steun vindt in het recht. De primaire stelling van X faalt daarom

Subsidiair stelt X, met een beroep op het Unierecht, dat recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij niet zwaarder mag worden belast dan een met haar vergelijkbare ingezeten belastingplichtige die is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting.

In het onderhavige geval moeten in het kader van de drukvergelijking meer kosten in aanmerking worden genomen dan alleen de kosten van inning van het dividend, aldus X. Zij stelt dat in die vergelijking onder meer de toevoeging aan de technische voorziening als last moet worden meegenomen.

De Rechtbank verwerpt ook dit standpunt. Volgens de Rechtbank moet de zaak beoordeeld worden op basis van de maatstaf van het arrest Société Générale SA (HvJ 17 september 2015, C-17/14, ECLI:EU:C:2015:608) en moeten alleen inningskosten in aanmerking worden genomen in het kader van de drukvergelijking. Voor dat geval is niet in geschil dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting op basis van de drukvergelijking.

Ook het beroep op het arrest Sofina (HvJ 22 november 2018, C-575/17, ECLI:EU:C:2018:943, NLF 2018/2619, met noot van De Haan) wordt verworpen. X heeft ten aanzien van het jaar 2008 niet aannemelijk gemaakt dat zij – beoordeeld naar Nederlandse maatstaven – een verlies heeft geleden. Het beroep is ongegrond.

Hoewel aan X kan worden toegegeven dat de vraag kan rijzen of de betekenis en de reikwijdte van het arrest CPP (HvJ 13 november 2019, C641/17, ECLI:EU:C:2019:960, NLF 2020/0114, met noot van De Haan) waaronder de verhouding tot het arrest Société Générale SA, helemaal duidelijk is, ziet de Rechtbank geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ. De Rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat partijen het niet eens zijn over een aantal feiten, waaronder de werking van de technische voorziening bij X, en dat de Rechtbank niet de hoogste feitenrechter is.

Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Dividendbelasting
Belastingtijdvak
2008-2013
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum instantie
2 juni 2022
Rolnummer
21/2941; 21/2943; 21/2944; 21/2945; 21/2946; 21/2947
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:3003
NLF-nummer
NLF 2022/1169
Aflevering
16 juni 2022

X