Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

De Heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase aan X (belanghebbende) bekendgemaakt dat zijn verzoek om toekenning van een dwangsom is afgewezen. Tussen partijen is echter niet meer in geschil dat X, gelet op de omstandigheid dat moet worden aangenomen dat de uitspraak op bezwaar eerst in de beroepsfase aan X is bekendgemaakt, recht heeft op toekenning van de maximale dwangsom.

Rechtbank Noord-Holland ziet geen aanleiding voor een ander oordeel en veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding van een dwangsom ten bedrage van € 1.442. Het beroep is aldus gegrond voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een dwangsom.

De Rechtbank verwerpt het verzoek om toekenning van een immateriële schadevergoeding. Aan het geschil inzake de belastingheffing is een einde gekomen door de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar op 8 september 2022, zodat het tijdsverloop na 8 september 2022 buiten beschouwing moet blijven. Met de uitspraak op bezwaar is aan de ondervonden spanning en frustratie een einde gekomen, aldus de Rechtbank. Gelet hierop heeft de termijnoverschrijding zich slechts in de bezwaarfase afgespeeld. Naar het oordeel van de Rechtbank kan X in dat geval geen aanspraak maken op een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Artikel 6 EVRM ziet immers op de behandeling van de zaak door een rechter binnen een redelijke termijn.

Hieraan doet niet af dat de procedure is voortgezet door X met het verzoek om een uitspraak te doen over met het verloop van de procedure verband houdende verzoeken.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
niet bekend
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum instantie
6 december 2022
Rolnummer
21/2312
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2022:10893
NLF-nummer
NLF 2023/0180
Aflevering
19 januari 2023
bwbv0001000&artikel=6,bwbv0001000&artikel=6

Naar de bovenkant van de pagina